Het Stork Pensioenfonds anno 1881

Het overleg over de modernisering van het pensioenstelsel is deze week vastgelopen. De complexiteit van de oudedagsvoorziening is een optelsom van ruim een eeuw polderen. Over de werkliedenregeling, de AOW en het snelle geld. „De pot is onbeheersbaar groot geworden. Daar plempen werkgevers geen geld meer in.”

De eerste gepensioneerde. Uitgave Stork 1910
De eerste gepensioneerde. Uitgave Stork 1910

Ooit zat het pensioen van de Storkiaan, zoals de werknemers van de machinefabrieken zich vroeger noemden, in een envelopje in een lade. De ‘werklieden’ die erin geslaagd waren om te overleven tot hun pensioen, kregen daaruit iedere week uitgekeerd. En als ze het niet overleefd hadden – de meeste mannen werden aan het einde van de negentiende eeuw niet veel ouder dan veertig – dan was er een bescheiden uitkering voor de weduwen en wezen. Het was de tijd van de onderneming als vader die wist wat goed was voor zijn kinderen. In 1881 richtten de gebroeders Stork als één van de eersten in Nederland een werkliedenpensioen op.

De geschiedenis van Stork laat zich lezen als de geschiedenis van de Nederlandse economie die eerst draaide op maakindustrie en handel, toen langzaam maar zeker een diensteneconomie werd en vervolgens in handen kwam van buitenlandse investeerders: van familiebedrijf tot investeringsobject. Van de machinefabriek van Gebroeders Stork uit 1868 tot Stork BV anno 2011 waar de laatste delen van Fokker zijn ondergebracht alsmede Stork Technical Services. De pensioenen volgden eenzelfde route en werden van een spaarpot bij de baas tot een steeds abstracter financieel product.

Pensioenen zijn in Nederland inmiddels hogere wiskunde geworden. De meeste werknemers wachten passief af. Tot het eerste pensioenstrookje in de bus valt en in één klap een einde maakt aan het gedroomde Zwitserlevengevoel. Dan blijkt dat de gepensioneerde zich rijk gerekend heeft en uiteindelijk veel minder dan de 70 procent van het laatst verdiende loon krijgt.

Want de verschillende pensioenpotjes hebben niet onaangeroerd gaar staan pruttelen. In de afgelopen 25 jaar is het deksel regelmatig gelicht en hebben diverse betrokkenen er iets uitgehaald en soms ook weer in teruggestopt: de bedrijven, de pensioenfondsen en de overheid met nieuwe wetgeving.

Binnenkort gaat de Nederlandse pensioenwet weer op de schop. Er komen steeds meer ouderen en die zullen langer moeten doorwerken om de pensioenen betaalbaar te houden. Daarnaast zijn er plannen om de risico’s van de belegde pensioengelden anders te verdelen. Meer keuze, maar ook meer risico bij de werknemer en minder bij het fonds.

Stork was in 1881 in Nederland één van de eerste bedrijven met een pensioenregeling en vormen van medezeggenschap. De banden tussen bedrijf en personeel zijn altijd hecht geweest. Aanvankelijk werd de pensioenkas gevuld met winstdeling en eigen bijdrage. Rond 1900 ging 60 procent van de winst rechtstreeks naar de werkliedenregeling (waaronder ook invalide-, wezen- en weduwenuitkeringen vielen). De eigen bijdrage bedroeg 3 procent van het loon. Bij 65 had de werknemer recht op een pensioen dat 60 procent bedroeg van het vaste loon.

Dat systeem bleef tientallen jaren lang bestaan. Toen in 1956 door Willem Drees de algemene ouderdomswet (AOW) werd ingevoerd, wisten generaties Stork-arbeiders zich allang verzekerd van een ouderdomspensioen.

In 1972 kreeg het Stork Pensioenfonds zijn huidige vorm en naam, voor de werknemer veranderde er aanvankelijk weinig. De pensioengelden werden voornamelijk belegd in degelijke staatsobligaties met vaste rentes. Wat wel veranderde was dat Stork, inmiddels uitgegroeid tot een conglomeraat, overging op lichtere industrie en dienstverlening. In 1996 kocht Stork een deel uit de Fokker-boedel, Fokker Aviation dat Fokker-vliegtuigen onderhoudt en van reserveonderdelen voorziet.

In diezelfde jaren negentig begon het geld te rollen, ook het pensioengeld. Net als veel andere pensioenfondsen belegde Pensioenfonds Stork steeds meer geld in aandelen. De beurzen schoten omhoog. De fondsen werden een belangrijk onderdeel van de bedrijfsvoering en een vliegwiel voor de financiële markten.

Pensioenpremies werden een looninstrument en een middel om begrotingen sluitend te maken. Werkgevers, werknemers, niemand had er problemen mee om minder premie te betalen. Met algemene instemming werden de pensioengelden in Nederland steeds vaker ‘creatief’ gebruikt. Tot de klappen kwamen in het begin deze eeuw.

Eric Uijen, directeur van Pensioenfonds Stork, vertelt dat het fonds recentelijk twee keer hard geraakt is door instortende beurzen: in 2002 en in 2008, toen de helft van het vermogen verdampte. Het fonds omvat nu 2,7 miljard euro en haalt niet de vereiste dekkingsgraad van 105 procent, de wettelijk vastgelegde buffer tussen wat het fonds in kas heeft en de verplichtingen die het fonds heeft. Veel andere pensioenfondsen in Nederland hebben op dit moment hetzelfde probleem. Wat op zich niet dramatisch hoeft te zijn als de achterstand maar binnen vijf jaar weer wordt ingelopen. Sinds 2009 gaat het weer beter op de beurs en het geld stroomt nu de goede kant op, al houdt de rente die door de overheid kunstmatig laag wordt gehouden wel een soort domper op de vermogensgroei, stelt Uijen.

Bij Stork BV willen ze niet wachten tot het vanzelf goed komt. De onderneming wil het fonds zo snel mogelijk onderbrengen in het bedrijfstakfonds Pensioenfonds van de Metalelektro, PME, een overkoepelend fonds voor bedrijven uit de metaal en de elektronica. Pensioenfonds Stork staat daar op zich positief tegenover.

Maar er is een probleem. Bij de overname van Stork door investeringsmaatschappij Candover in 2008 werd vastgelegd dat de onderneming moet bijbetalen als het fonds onderpresteert.

De onderneming en het pensioenfonds voeren nu strijd over een herstelbetaling van 40 miljoen euro die Stork BV volgens deze afspraak verplicht is in het fonds te storten. En die rekening moet worden vereffend voordat het pensioenfonds kan overgaan naar de bedrijfstak. Maar de onderneming weigert: elke euro die naar het pensioenfonds gaat, gaat dan namelijk niet naar de aandeelhouder of naar de bank.

In het huidige Pensioenfonds Stork zit een bonte verzameling pensioenverplichtingen van bedrijven die in de loop van de geschiedenis deel hebben uitgemaakt van het moederbedrijf. Er gaat inmiddels meer geld in om dan in het bedrijf zelf. Het beheren, het onderhandelen met de vakbonden en de verplichting voor de onderneming om bij te storten als er tekorten zijn, vormen in toenemende mate een belemmering voor de bedrijfsvoering.

Een overgang naar het bedrijfstakfonds PME moet de oplossing bieden. Daar geldt geen plicht tot herstelbetaling. Een bedrijfstakfonds houdt zijn financiën in evenwicht door nu eens wat meer premie te vragen en dan weer eens wat minder.

De gang van het Stork-fonds is symbolisch voor de sector. De complexe pensioenproblematiek dwingt steeds meer zelfstandige ondernemingspensioenfondsen in de richting van de bedrijfstakpensioenfondsen. „Een jaar of vijf geleden waren er nog 900 fondsen”, vertelt Uijen. „Vandaag de dag zijn dat er maar 450 en De Nederlandsche Bank heeft geroepen dat het er 100 moeten worden. Ik denk dat we over een jaar of vier op 100 zitten.” De consolidatie is in volle gang.

De 450 pensioenfondsen van dit moment beheren 750 miljard euro. Uijen: „Maar als we ons twee keer omdraaien is dat 1000 miljard, bijna anderhalve keer ons nationale inkomen”. Hij vindt dat je van de werkgevers bij zulke bedragen niet meer kunt verlangen dat ze „bijplempen” als het slecht gaat.

Reden om de familiebanden die 130 jaar hebben bestaan tussen werknemer en onderneming op dit punt definitief door te snijden en de pensioenen onder te brengen in een anoniemer bedrijfstakfonds dat door zijn omvang meer expertise kan bundelen om zich staande te houden in de financiële stormen van onze tijd .

Met de overgang naar het bedrijfstakfonds zal een periode worden afgesloten die begin jaren zeventig begon toen Stork werd opgedeeld in zelfstandige werkmaatschappijen. In 1972 werd de overkoepelende Stichting Pensioenfonds Stork opgericht. Volgens Henk Oude Brinkhuis die sinds die tijd betrokken is geweest bij het pensioenoverleg, is toen het verplichte pensioenfonds opgericht zoals we dat vandaag kennen met premies van werknemers en van werkgevers bij wijze van uitgesteld loon. Toen zijn de spaarpotten ontstaan waarmee fondsen en bedrijven later in toenemende mate gingen ‘spelen’.

De verslaving aan het snelle geld is in de pensioenwereld nooit meer overgegaan. Ook nu belegt Pensioenfonds Stork de helft van het vermogen in aandelen waardoor het de achterstand snel weer kan inlopen. De dekkingsgraad is alweer bijna terug op 100 procent. Maar dan is de omstreden 40 miljoen euro die het fonds nog van de onderneming moet terugkrijgen, wel meegeteld. Met een schuin oog op de aandelenmarkt denkt Uijen snel weer op de vereiste dekkingsgraad uit te komen van 105 procent. Om nieuwe ongelukken te voorkomen, zijn de risico’s van dalende rente en instortende beurzen nu grotendeels afgedekt.

Van een spaarpotje dat moest voorkomen dat ouderen, wezen en weduwen zouden verkommeren, is het pensioen een financieel product geworden, besluit Uijen. „Pensioenfondsen ontwikkelen zich tot volwaardige financiële instellingen die maximaal gebruikmaken van alle mogelijkheden die er zijn. Er is maar één doel: het op te bouwen pensioen in prijs zo laag mogelijk houden.”