Filminstituut EYE wordt nieuwe culturele ondernemer aan het IJ

Het nieuwe filminstituut EYE is niet bang voor cultureel ondernemerschap. Maar eerst de benodigde bezoekers naar de overkant van het IJ lokken.

Duikhelm, 1912 Foto Bonham's
Duikhelm, 1912 Foto Bonham's

Ik hoor net dat we ons eigen steiger krijgen”, zegt Sandra den Hamer, de directeur van Eye, verheugd. „Eerder was ons gezegd dat dat niet kon.” Maar nu lijkt de nieuwe vestiging van EYE aan het IJ – de naamovereenkomst is bewust – dan toch een aanlegsteiger voor rondvaartboten te krijgen. Eerder heette het dat de plek aan het water waar het nieuwe EYE verrijst, zich niet leende voor een steiger. „Maar we krijgen alle medewerking in dit soort dingen”, zegt Den Hamer. Het nu al markante gebouw fungeert immers, alleen optisch al, als uithangbord voor een heel stadsontwikkelingsproject in Amsterdam-Noord, het in privaat-publieke samenwerking opgezette Overhoeks.

Het zal voor EYE een hele overgang zijn – van een negentiende-eeuws gebouw aan het Vondelpark met twee zaaltjes met zeventig stoelen, naar het enorme complex in Noord, met vier zalen – een van 300 stoelen, twee van 120 en één van 80.

En niet een van de minste problemen lijkt dat weinig mensen weten wat EYE (officieel: EYE Filminstituut Nederland) eigenlijk is. Sinds januari vorig jaar is dit de nieuwe naam van wat voorheen algemeen bekend stond als het Filmmuseum. EYE blijkt niet voor te komen in de lijst van vijftig bekendste cultuurmerken in Amsterdam die het onderzoeksbureau Hendrik Beerda Brand Consultancy jaarlijks opstelt. Het bekendste cultuurmerk in Amsterdam blijkt overigens het Anne Frank Huis, maar het Stedelijk Museum – grotendeels dicht – haalt nog altijd een tiende plaats.

Sandra den Hamer zegt zich door dit gegeven niet uit het veld te laten slaan. „Het is wel begrijpelijk, want EYE is in feite iets wat er nu nog niet is.” De nieuwe vestiging van EYE aan het IJ – gebouwd in opdracht van een private investeringsmaatschappij en gevrijwaard van de problemen die gemeentelijke aanbestedingen als het Stedelijk Museum plagen – zou eind dit jaar opgeleverd moeten worden. „Het lijkt mij een goed idee om in de lente echt open te gaan”, zegt Den Hamer. Er komt tegen die tijd een publiciteitscampagne om met het gebouw ook de naam in de markt te zetten.

De naamsverandering had als aanleiding dat het Filmmuseum vorig jaar fuseerde met drie andere instellingen: Holland Film (dat Nederlandse film promoot in het buitenland), het Nederlands Instituut voor Filmeducatie en de Filmbank. Maar volgens Den Hamer is het ook een sterk merk, dat in de internationale contacten van EYE al goed valt, en zich ook grafisch goed laat gebruiken, met een oogvormig logo. De naam verwijst naar het IJ, en naar een manifest van de Russische filmpionier Dziga Vertov, Glaz Kino (Het oog van de cinema).

EYE is nu op zoek naar een business manager voor de nieuwe vestiging. Want de exploitatie van het nieuwe gebouw, dat behalve de zalen ook nog een tentoonstellingsruimte, een soort agora-achtige ruimte en een horeca-faciliteit omvat, is nog wel even iets anders dan de twee zaaltjes met een trouwe schare bezoekers die EYE nu aan het Vondelpark bestiert. Het café Vertigo dat ook in het Vondelpark-paviljoen gevestigd is, maakt geen deel uit het Filmmuseum.

Voor de nieuwe vestiging gaan Den Hamers gedachten uit naar een joint venture met een private horeca-exploitant. En de business manager zal zich ook gaan buigen over verhuur van zalen aan derden. Want hoewel er nog geen exacte gegevens zijn over bezuinigingen in de rijkssubsidie waarop EYE drijft – zeker lijkt wel dat van culturele instellingen wordt gevraagd om meer eigen inkomsten te gaan genereren. Cultureel ondernemerschap? Eye is er niet bang voor, zegt Den Hamer, en doet er – met zaalexploitatie en zichzelf bedruipende filmdistributie-activiteiten ook nu trouwens al aan.

Nu nog elke dag de benodigde honderden toeschouwers naar Noord lokken, in plaats van enkele tientallen naar het Vondelpark. Gelukkig is EYE niet afhankelijk van rondvaartboten. De dichtbij liggende pont tussen Centraal Station en Tolweg vaart de hele nacht door.

Raymond van den Boogaard