Trapgoochem wordt een topcrimineel

Auke Kok haalt, anders dan in eerdere boeken over Willem Holleeder, veel boven over diens jeugd.

Kok ziet Holleeder als een meeloper. Maar is dat terecht?

Cover van het boek Willem Holleeder : De jonge jaren van Auke Kok
Cover van het boek Willem Holleeder : De jonge jaren van Auke Kok

Onwennig keek Gerard Holleeder om zich heen toen hij moest getuigen in het grote strafproces tegen zijn oudere broer Willem in de zwaarbeveiligde rechtbank in Amsterdam Osdorp. Die broer, Willem Holleeder, was ook in de zaal. De Neus leunde met zijn achterhoofd tegen een pilaar. ‘He, Gerardje’, was het enige wat Willem tegen zijn broer zei. Willem, toen toch al ruim 2,5 jaar gedetineerd, keurde zijn vijf jaar jongere broer verder geen blik waardig. Ook Gerard keek strak voor zich uit. Het tafereel in de rechtbank, op 1 november 2008, riep vragen op over de relatie tussen de broers. Wilden ze de rechtbank niets prijsgeven over hun relatie? Of zei dit koele weerzien iets over de verhoudingen in de familie?

Over geen enkele Nederlandse crimineel is waarschijnlijk zoveel geschreven als over Willem Holleeder. De ontvoering van biermagnaat Freddy Heineken en zijn kapotgeslagen vriendschap met de in 2004 vermoorde vastgoedbaron Willem Endstra behoren tot de meest besproken onderdelen van de vaderlandse misdaad. Zowel in De ontvoering van Freddy Heineken van Peter R. de Vries als in Stille Willem van Harry Lensink speelt Willem Holleeder een bijrol, maar over zijn verleden was niet veel bekend.

Anders is dat in Holleeder, de jonge jaren van journalist Auke Kok, die zijn eerste stuk over de Holleeder-zaak schreef voor het literaire blad Hollands Diep, naar aanleiding van het hoger beroep dat Holleeder aantekende tegen zijn veroordeling van negen jaar cel voor de afpersing van onder anderen Willem Endstra. Kok vond het, schreef hij, raar dat rechters tot hun oordeel kwamen op basis van getuigenissen van diezelfde Endstra.

Tijdens het hoger beroep maakte Kok kennis met Holleeder, zo lezen we in zijn boek. Kok slaagde erin toegang te krijgen tot de familie van Willem. Hij sprak met onder anderen broer Gerard en zus Astrid, verder met klasgenoten en docenten van de lagere en middelbare school, met buurtgenoten, sportschoolinstructeurs, politieagenten, officieren van justitie en een enkele persoon uit het criminele milieu. Holleeder zelf mocht van de gevangenisdirecteur niet aan het boek meewerken.

Al die gesprekken leveren een kleurrijk beeld op van het leven van de jonge Holleeder en van de Jordaan, de buurt waarin hij opgroeide, en die in zijn jeugd een bolwerk was van socialisten, communisten en mensen die het niet ophadden met de overheid. De Jordaan is ook een buurt waar mensen alles van elkaar weten. Ruzies, vrijpartijen; de buren hoorden alles. In de Jordaan moest je dus trapgoochem zijn. Je moest net doen alsof je niet hoorde wat je had gehoord en alsof je niet kon weten wat je zeker wist. Een eigenschap die Holleeder als geen ander beheerst, bleek tijdens zijn proces. Hij kende vrijwel alle kopstukken uit de Amsterdamse onderwereld. Maar wat ze uitvraten? Willem had echt geen idee.

Zijn driftbuien heeft Holleeder van zijn vader, zo blijkt. De kleine Wimpie was verlegen, begrijpelijk als je vader een alcoholistische tiran is met losse handjes. Als tiener ging Wimpie boksen, en hij werd Willem vanaf het moment dat hij zijn vader in elkaar sloeg, in plaats van omgekeerd. Als tiener ontmoette Willem ook zijn latere boezemvriend Cor van Hout. Cor trouwde Willems zus Sonja en samen waren ze bijna twee jaar in het nieuws in hun poging om na de ontvoering van Heineken uit handen van justitie te blijven.

Kok beschrijft in detail hoe Willem junior het gezin bestierde nadat moeder Stien met kinderen zijn vader had verlaten. ‘Hij commandeerde zijn moeder en zijn zussen als een kapitein, en Gerard, zijn jongere broer, kreeg de status van loopjongen. Als Willem en Cor iets nodig hadden, moest stille Gerardje het gaan halen. Ze noemden hem een knakenpoetser. Een knaak was de volkse benaming voor een rijksdaalder, een munt van twee gulden vijftig waar Willem en Cor, indachtig de stapels papiergeld in hun achterzak, op neerkeken.’

Waarom beging Holleeder die ene misdaad die zijn leven veranderde: de ontvoering van Freddy Heineken? Volgens Kok was het de vriendschap met Cor van Hout. In de ogen van Kok is Willem slechts een meeloper, iemand die nooit uit zichzelf in de misdaad verzeild zou zijn geraakt. Maar is dat werkelijk zo? Het lijkt erop dat Auke Kok wat al te graag in de goedheid van Holleeder wil geloven. Nadat Wimpie de mavo had afgemaakt en zijn eerste stappen op het criminele pad had gezet met Van Hout, zo beschrijft Kok, werkte hij drie jaar in een kledingzaak in de Kinkerstraat. Toen hij zijn baan kwijtraakte, koos hij opnieuw voor de misdaad. Willem Holleeder heeft een bewuste keuze gemaakt voor het grote geld, zo lijkt het. Hij wilde geen knakenpoetser worden. Dat moet de reden zijn dat Willem in de beklaagdenbank zat en Gerard moest getuigen.

Auke Kok: Willem Holleeder. De jonge jaren De Bezige Bij, 272 blz. € 18,90