Stevig alcoholgebruik? Niet voor de doorsneestudent

Feestbeesten die meer drinken dan leren. Dat is het gangbare beeld van de student. Ten onrechte, laat Gronings onderzoek zien. De norm: tien biertjes per week.

Rechtenstudentes Barbara (22) en Isabel (21) zitten in de koffiekamer van de Leidse universiteitsbibliotheek. Even pauze tijdens het leren voor hun tentamens. Ze willen best wat vertellen over hun feestgedrag, mits ze niet met hun achternaam in de krant hoeven. Isabel: „Ik wil nog wel carrière maken.”

Gisteren publiceerden wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek waaruit blijkt dat de doorsneestudent helemaal niet zo’n feestbeest is als veel mensen denken. Gemiddeld drinken de duizend onderzochte Groningse eerstejaars tien glazen alcohol per week, precies het aantal dat normaal is voor jongeren van hun leeftijd. Het Groningse gemiddelde wordt wel gedrukt doordat meer dan de helft van de studenten in de stad en in het onderzoek vrouw is. Na correctie daarvoor komt de Groningse norm uit op twaalf glazen per week. Dat cijfer wordt flink omhooggetrokken door studenten die lid zijn van een gezelligheidsvereniging; zij drinken 21 glazen per week.

Barbara en Isabel zijn lid van Minerva, het Leidse corps. Zij herkennen zich wel in de uitkomsten van het Groningse onderzoek. „Soms drink ik vijftien glazen als ik op de vereniging ben, soms maar vier of vijf”, zegt Barbara. Isabel: „Ik wil meestal tot een uur of vier blijven, dus ik wissel af met cola light of ice tea. Achter elkaar doordrinken gaat niet.” Barbara: „Zeker niet als je wodka drinkt.”

De jongens op Minerva drinken meestal geen fris, zegt Barbara: „Als een gast om cola vraagt, wordt hij toch wel raar aangekeken.”

Isabel heeft al twee weken geen druppel gedronken. „Ik ben aan het leren en wil mijn punten halen. Mensen die hun punten niet halen, zijn losers.” Barbara denkt dat het feestgedrag van de meeste leden van Minerva studiesucces niet in de weg staat. „Maar het beeld dat studenten lullo’s zijn, is hardnekkig.”

Precies die conclusie trekt de Groningse hoogleraar sociale psychologie Tom Postmes uit zijn onderzoek naar „grensoverschrijdend gedrag” onder eerstejaars in Groningen. „Meer dan de helft van de studenten drinkt vijf glazen of minder per week. Die uitkomst strookt niet met de reputatie van studenten.”

Postmes had zo zijn vooroordelen toen hij op verzoek van politie en universiteit aan het onderzoek begon. „Ik zag toch lullo’s voor me die met een boodschappenwagen vol kratten bier door de supermarkt liepen.” Die hypothese moest hij laten varen. „De gemiddelde student is braver. Ook als het gaat om het gebruik van drugs, doen ze het niet slechter dan hun leeftijdsgenoten.”

Het lijkt er dus op dat de leden van studentenverenigingen, die in sommige gevallen wel degelijk problematisch drinkgedrag vertonen, het imago van ‘de student’ bepalen, concludeert Postmes. Ook bij hun medestudenten. „Uit ons onderzoek blijkt dat veel studenten denken dat de gemiddelde Groningse student meer drinkt dan zijzelf. Omdat ze denken dat veel drinken ‘normaal’ is, zie je bij eerstejaars dat hun alcoholconsumptie stijgt ten opzichte van wat ze dronken op de middelbare school. Ze willen zich aanpassen aan wat ze denken dat de norm is.”

Hoewel bij de gemiddelde student dus nauwelijks sprake is van grensoverschrijdend gedrag, heeft Postmes wel aanbevelingen. „De cultuur op verenigingen moet veranderen. Verder moet het stereotiepe beeld van ‘de student’ als een feestbeest worden gecorrigeerd. Dan voelen studenten zich minder verplicht om te drinken.”