Portret van een heer

In 1918 schilderde Egon Schiele een portret van Victor Ritter von Bauer. Negentig jaar later ontdekte Tommy Wieringa dat hij als twee druppels water op de grootindustrieel lijkt. Ter gelegenheid van de Boekenweek (thema de biografie) ging de schrijver de kasteelheer in Noord-Moravië achterna.

'Het was een vreemde sensatie om voorp de ansicht een man te zien zitten met mijn gezicht. Zelfs het puntje bovenop zijn schedel was identiek.' Foto Roger Cremers Nederland, Broek in Waterland, 05-03-2011 Tommy Wieringa, auteur. Foto is een namaak van Egon Schiele "Portrait Of Victor Ritter Von Bauer" PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2010

Het is eind februari, het is koud in Wenen. Ik ben in het Belvedere, voor me hangt het portret van een man, olieverf op doek. In 1918 vervaardigde Egon Schiele dit portret van Victor Ritter von Bauer. Het heeft lang geduurd voor het tot een ontmoeting kwam, maar eindelijk sta ik dan oog in oog met mijn evenbeeld. Ik sta er dicht op om in me op te nemen wat reproducties ontberen: diepte. De klontjes, de kloddertjes, de streken van de kwast. Dan doe ik een paar stappen terug en kijk ernaar met mijn handen op mijn rug; de pose van een kenner. Om me heen wordt opgewonden gefluisterd achter plattegrondjes, jonge vrouwen giechelen. Ik weet wat ze zien. Een verdubbeling. Het portret en het model. Maar de een stierf in 1939, de ander werd geboren in 1967.

Ik ken het portret van Victor Ritter von Bauer nu een paar jaar. Richard Dekker, redacteur van het literaire tijdschrift Passionate, stuurde me eens een ansicht uit Wenen waarop het was afgebeeld. Hij beleefde, schreef hij, een spookachtig moment toen hij het Belvedere bezocht en opeens mijn beeltenis aan de muur zag. ‘Ik neem aan dat je het schilderij kent’, schreef hij. ‘Ik vond de gelijkenis eerlijk gezegd beangstigend. Daar komt bij dat ik op dat moment jouw reisboek Isfahaan in mijn jaszak had.’

Ik kende het schilderij niet. Het was een vreemde sensatie om voorop de ansicht een man te zien zitten met mijn gezicht. Zelfs het puntje bovenop zijn schedel was identiek. Ook droeg hij mijn linnen pak, dat ik aanschafte voor de oversteek van Southampton naar New York met de QE2. Op internet las ik dat hij, Victor Ritter von Bauer, een grootindustrieel was uit Brno en in de laatste dagen van de dubbelmonarchie het Institut für Kulturforschung had opgericht in Wenen. Veel meer wist ik aanvankelijk niet over hem.

Nu ik dan eindelijk het originele portret zie, vraag ik me af waar de sensatie over de gelijkenis uit bestaat. Is het, zoals W.G. Sebald schrijft, dat ‘iemand die zijn dubbelganger tegenkomt zichzelf vernietigd voelt’? Daar lijkt het weinig op, daarvoor is de afstand tussen ons te groot; het doek toont alleen de afbeelding van een mens, het is niet de mens zelf. Veeleer is het een gevoel van herhaling, een sensatie van eeuwige wederkeer, niet alleen van de ziel, maar ook letterlijk, fysiek. Ik herinner me het schokje in mijn maagstreek wanneer ik de ansicht uit een ooghoek zag. Ik was het, ik was het niet. Flitsen van existentiële verwarring.

Ik neem de trein naar het noorden, naar Brno, op een uur of twee van Wenen. De late zon schijnt door een geel stofwaas; het illusieloze licht van ’s middags half vier. In 1876 werd Bauer in Brno geboren. Zijn familie was zeer rijk. De oerbron van hun rijkdom was de kolenmijn van zijn overgrootvader Aharon Hersch Bauer. Zijn zoon Moritz begon een suikerraffinaderij en verruilde het mozaïsche geloof voor het katholieke. In 1870 werd hij in de ridderstand verheven. Zijn zoon, Victor von Bauers vader, kocht twee uitgestrekte landgoederen in Moravië. De familie aan moederskant speelde een belangrijke rol in het wetenschappelijke en politieke leven van de Habsburgse Dubbelmonarchie.

Uit dit samengaan van grootgrondbezit en industrie met politiek en wetenschap kwam Victor Ritter von Bauer voort. In een essay over hem, geschreven door Dr. Franz Smola, curator van het Schiele Research Center in Wenen, is al deze informatie te vinden, alsmede foto’s van Bauer als vliegenier, als luitenant van een dragonderregiment en afbeeldingen van zijn huizen en fabrieken. Smola beschrijft zijn leven in vogelvlucht en onderzoekt de omstandigheden waaronder het portret door Schiele tot stand kwam. Zeker is dat het nooit in het bezit van de familie is geweest. Bauers echtgenote wilde het niet hebben omdat ze ‘hem slechts aan zijn manchetknopen herkende’.

Het is een van de laatste schilderijen van Schiele; een paar maanden later stierf hij door de Spaanse griep. Zijn doodsportret toont hem met een arm onder zijn hoofd; de dood als middagslaapje. Hij was achtentwintig jaar. Drie dagen tevoren had hij zijn zwangere vrouw verloren aan de epidemie.

In Brno zal ik de volgende morgen Lucie Laníková ontmoeten, die onderzoek doet naar Bauer. Door een klein wonder ben ik met haar in contact gekomen. Een paar dagen voor ik naar Wenen ging, ontmoette ik in Wassenaar professor Jan Stejskal. We zaten naast elkaar bij de lunch in het NIAS, het instituut waar we beiden voor een semester aan verbonden zijn. Toen hij vertelde dat hij uit Tsjechië kwam, vroeg ik of hij wellicht ooit van ene Victor Ritter von Bauer had gehoord. Hij knikte en zei: „Ik ben de promotor van de vrouw die zijn biografie schrijft.” (Het was niet voor het eerst dat ik het gevoel kreeg dat ik op een web van snaren liep, dat alles trilde en zong zodra ik bewoog). Stejskal bracht me in contact met haar. Ze was bereid me in Brno te ontmoeten.

Laníková en ik hebben afgesproken op het beursterrein van de stad, waar eens de suikerfabriek van de Bauers stond. Een kleine vrouw komt me tegemoet. Grote blauwe ogen onder een gebreide witte muts. Ze lacht en zegt: „Jullie zijn tweelingbroers”. Op het terrein staat nog Bauers geboortehuis, dat nu dienst doet als kantoor van de technische dienst. Ergens helemaal achteraan vinden we het. Het is een fraai Moravisch landhuis met lage plafonds en hoge, donkere lambrisering. De eetkamer van groen marmer is ontworpen door de modernistische architect Adolf Loos, een vriend van de familie. In de ouderlijke slaapkamer werkt een gepensioneerde ingenieur. Een uitgedroogde dwergficus werpt zijn blaadjes af. Onder hard tl-licht de universele kantoorinrichting, met uitzondering van de ingebouwde kasten en de kaptafel, versierd met vergulde reliëfs; wie weet hoe lang het geslepen spiegelglas al in de kastdeuren zit. Aan de kaptafel poederde mevrouw Bauer haar gezicht, deed ze haar oorhangers in. De ingenieur rookt een sigaret op het balkon, in de ochtendzon. Rondom de stad trekt de nevel op boven de heuvels.

„Weet hij in wiens slaapkamer hij werkt?” vraag ik. Laníková schudt haar hoofd. „Niemand weet hier wie ze waren”, zegt ze. „De Bauerova ulica, de Bauerstraat, verwijst nog naar de familie, dat is alles. Ze zijn uit het geheugen verdwenen.”

Het grote vergeten voltrok zich ook rond Schieles portret van Bauer. Het kwam na omzwervingen in de vaste collectie van het Belvedere terecht en werd soms tentoongesteld, maar wie de afgebeelde man was werd vlug vergeten. Al in 1923 werd het in de catalogus ‘Portret van een heer’ genoemd, een paar jaar later een ‘Anoniem herenportret’. Volgens een hardnekkig gerucht ging het om een diplomaat in Italië.

Met Lucie Laníková rijd ik die middag naar slot Kunín, de zomerresidentie van de familie Bauer. Het ligt honderdvijftig kilometer ten noordoosten van Brno. We praten over de opkomst en ondergang van het geslacht Bauer. Bauers vader had zitting in de Moravische landdag, hij bezat fabrieken van Wenen tot Boedapest. De meeste bezittingen lagen echter op Moravisch grondgebied, het landsdeel dat na de ondergang van de Donaumonarchie aan de Tsjechoslowaakse republiek toeviel. „De familie verloor in de jaren twintig veel grond door de landhervormingen”, zegt Laníková. „Ze werd gedwongen grote delen tegen slechte condities aan de staat te verkopen. De suikerfabriek werd genationaliseerd.” Bauer was toen al bijna tien jaar president-directeur van een aantal van de familiebedrijven. Tot aan president Masaryk zelf probeerde hij de onteigeningen te voorkomen. Tevergeefs. Laníková schat dat tweederde van het bezit verloren ging.

De rest van zijn leven wijdde Bauer aan het beheer van wat overbleef, een paar kleine fabrieken en de landerijen, waaronder slot Kunín. Hij legde zich meer en meer toe op het schrijven; hij gaf lezingen in Wenen, Londen en Parijs. In 1936 verscheen zijn hoofdwerk Zentraleuropa. Ein lebendiger Organismus, waarin hij schreef over de cultuurhistorische wording van verschillende Europese volken. Een paar jaar later zullen zijn publicaties op de lijst van verboden boeken terechtkomen. Bauer zelf heeft dat niet meer meegemaakt: een maand voordat Duitsland Polen binnenviel overleed hij aan maagkanker.

We rijden door langzaam deinende heuvels, het sneeuwt een beetje. „In Noord-Moravië is het altijd kouder”, zegt Laníková. „Als het bij ons al lente is, is het hier nog winter.” Ik vraag haar hoe haar belangstelling voor Bauer werd gewekt. Ze woonde niet ver bij slot Kunín vandaan, vertelt ze, in de zomer gaf ze er rondleidingen. Er hing een portret van Victor von Bauer, poserend als kasteelheer met het slot op de achtergrond; ze keek er graag naar. „Ik vond hem hübsch„, zegt ze. „Een knappe man. Een wereldburger. Ik bewonderde zijn kosmopolitisme, zijn veerkracht ook. Ik was geloof ik verliefd op hem.” Later zal ze in archieven lezen dat zijn superieuren in het leger hem ‘groot, slank, krachtig en gezond’, noemden, ‘en voor alle taken in vrede en in oorlog geschikt’. Duits en Boheems zijn de talen waarmee hij is opgegroeid, verder spreekt hij uitstekend Frans en Engels. Zijn karakter wordt omschreven als ‘wakker en goedmoedig, sterk en eerbaar, met goede geestelijke gaven’. Naarmate ze dieper en dieper in zijn leven graaft verandert Laníková’s verliefdheid langzaamaan in een onschadelijke vorm van stalking.

Uit alle bronnen komt Bauer als een renaissancistische figuur te voorschijn, een reiziger en een avonturier, met een belangstelling die even breed is als diep. Al tijdens zijn studie maakte hij een Oriëntreis, en nadat hij was gepromoveerd in de rechtswetenschap vertrok hij voor twee jaar en deed bijna alle continenten aan. Hij keerde terug met een grote belangstelling voor Oosterse mystiek en het taoïsme, en publiceerde een reisverslag onder de titel Eine Reise auf der Insel Sawaii (Samoa) bij het Geografisch Genootschap in Wenen. In 1911 haalde hij als een van de eersten in Oostenrijk zijn vliegbrevet, in een Etrich Taube, een eenmotorig lichtgewichtje met vogelvleugels. Het was nog maar acht jaar nadat Orville Wright 37 meter gevlogen had op het strand van Kitty Hawk.

De kou hapt in onze benen als we uitstappen bij slot Kunín. Het is vijftien graden onder nul. Laníková belt aan bij de toegangspoort maar niemand doet open. Om warm te blijven lopen we door het park, onder de bomen. Hier brachten ze hun zomers door, Bauer en zijn echtgenote en hun vier kinderen. Ik heb foto’s gezien van luie middagen, licht dat door de bladerkronen viel, een kan kwast op tafel. Ze reden paard, er werd gepicknickt onder het weelderige groen. Bauer zelf ontbreekt op de meeste foto’s, hij was de fotograaf.

De beheerder komt ons achterop, hij had de bel niet gehoord. Bronislav Novosad heeft geen last van de kou, zijn jas hangt open. We volgen hem naar binnen. In een kamer op de eerste verdieping zet zijn vrouw koffie voor ons. Ik hang mijn jas over de rug van de stoel. Als ik mijn muts afzet, kijkt Novosad mij lang aan. „De kasteelheer is teruggekeerd”, zegt hij zacht.

Novosad leidt ons door de kamers, alle gerestaureerd, want het slot was tot ruïne vervallen. De Russen joegen hun paarden door de gangen en over de trappen, de tegelkachels werden verwoest, de boeken opgestookt.

De Bauers waren toen al verstrooid over de aarde; ze bezaten niets meer, na 1945 waren ook hun laatste bezittingen aan de staat toegevallen. De weduwe bleef in Brno achter. Ze kwam aan de kost als naaister en schreef brieven aan de president, waarin ze hem vroeg hoe het kon dat ze de collecties die haar man in het Verre Oosten had verzameld, in antiekwinkels in Brno tegenkwam.

De kamers zijn ingericht met de schamele bezittingen die de erven Bauer in bruikleen hebben afgestaan. Een opiumsetje, een Japans kamerscherm, visitekaartjes. Maar ook het bedlinnen en het portret waar Lucie Laníková verliefd op werd. Opgewonden over de gelijkenis maakt Bronislav Novosad foto’s van mij achter Bauers typemachine.

‘Een geschenk voor u’, zegt hij aan het eind van zijn rondleiding. Het zit in een plastic mapje en is afgedekt met vloeipapier. Het is het ex-libris van Bauer, een ets waarop een klein vliegtuigje boven zee vliegt, met in de verte een berg, mogelijk de Fuji. Daarachter komt de zon op. Deze overeenkomstigheid is bijna niet te bevatten: het zou een schitterende cover van mijn roman Joe Speedboot kunnen zijn; alle elementen op het ex-libris komen daarin terug. Ontroering om al die gelijkluidendheid. Daar, in slot Kunín, leg ik mijn hand in die van Victor Ritter von Bauer.

Hij is bijgezet in de kleine kapel vlakbij het slot. We lopen er over de steenharde aarde naartoe. Het sneeuwt licht uit de witgrijze hemel. We gaan de kapel binnen, Novosad schuift banken aan de kant die er in de winteropslag staan. Hij wijst op een steen in de grond en zegt: „Hier ligt-ie.” Hij stampt op de grijze natuursteen. Ik ben in verwarring – geen inscriptie, niks? Hij schudt zijn hoofd en zegt: „Het was oorlog. De mensen hadden andere dingen aan hun hoofd.”

Ik was voorbereid op in steen gehouwen woorden, een eerbewijs, zijn lijfspreuk Laborem ad honorem in bladgoud, maar dit is wat me wacht aan het eind van mijn zoektocht naar mijn evenbeeld: niets. Een anonieme steen in de vloer. Misschien geeft het niet, zo eindigt immers alles, maar toch stemt het me droevig. Deernis met een man wiens familie alles verloor, wiens kinderen over Europa verspreid raakten. De Eerste Wereldoorlog was de opmaat, de Tweede deed de rest. In Tsjechië is geen Bauer meer te vinden. De hardhandige eeuw wiste elke herinnering aan hen uit.

    • Tommy Wieringa