Telkens tussen droom en plichtsbesef

Na jaren onderzoek is Vic van de Reijts biografie over Willem Elsschot verschenen.

De 21ste eeuw is, om het in reclametermen te zeggen, het merk Elsschot goed gezind.

Elsschot verlangde ernaar kunstenaar te zijn, maar koos voor een maatschappelijke loopbaan nadat Fine zwanger was geraakt. Ongedateerde foto De Vlaamse schrijver Willem Elsschot als jongeman thuis, zonder jaartal.
Elsschot verlangde ernaar kunstenaar te zijn, maar koos voor een maatschappelijke loopbaan nadat Fine zwanger was geraakt. Ongedateerde foto De Vlaamse schrijver Willem Elsschot als jongeman thuis, zonder jaartal. Hollandse Hoogte

Kort samengevat zijn levens altijd triest. Die mooie zin schreef Vic van de Reijt, de biograaf van Willem Elsschot, tien jaar geleden in literair tijdschrift De Parelduiker. Erop volgde een alinea waarin Van de Reijt een droevig beeld schetste van het bestaan van Alfons de Ridder (1882-1960). De passage – vol tegenslagen in zaken en liefde, uitmondend in melancholie en drankzucht – deed je bijna vergeten dat het hier ging om een van de grootste Nederlandstalige schrijvers van de 20ste eeuw, om een succesvol reclameman bovendien.

De 21ste eeuw is, om het in reclametermen te zeggen, het merk Willem Elsschot goed gezind. Zijn volledig werk werd uitgegeven, in het Engelse taalgebied werd Cheese ontdekt als ideale metafoor voor de kredietcrisis en dichter bij huis werd de plank Elsschot-publicaties steeds voller. Al die boeken maken het de biograaf moeilijk. Want wat moet hij doen? Alle hele en halve onthullingen toetsen? Het zijn er meer dan een mens kan behappen. Van de Reijt, in 1993 al een van de bezorgers van Elsschots Brieven, heeft dat dan ook niet gedaan. Hij nam zich voor de klus in 100.000 woorden te klaren. Elsschot zelf had immers óók weinig woorden nodig.

De biografie van Van de Reijt is er een van hoofdzaken: de belangrijkste gebeurtenissen in Elsschots leven, afgezet tegen de historische ontwikkelingen en tegen de neerslag van dat leven in zijn werk. Op de keuzes van de biograaf is weinig aan te merken, toch kleven er aan deze opzet twee nadelen. Het eerste klinkt wat flauw: dit is de biografie die we tien jaar geleden hadden willen lezen. Er staan prachtige anekdotes in, over hoe Elsschot volschoot bij het voorlezen van Kaas aan zijn vrienden. Ze zijn even aangrijpend als het slot van De Ridders leven: hij raakte tijdens een wandeling op straat onwel en werd door enkele mannen naar huis gebracht. ‘Dank u heren’, zei hij nadat ze hem op de divan hadden gelegd. Het waren zijn laatste woorden. De volgende dag stierf zijn vrouw Fine.

Het zijn bijzondere verhalen, tekenend voor de man en de schrijver, maar we kennen ze al. Dat geldt niet voor alles in de biografie: de brief die de jonge Fons aan zijn geliefde Fine schreef nadat zij hem (gesjeesd scholier, bohémien) de wacht had aangezegd, laat mooi zien hoe De Ridder heen en weer werd geslingerd tussen het verlangen om een kunstenaar te zijn en het besef dat hij niet alles zomaar kon maken. De verhouding tussen droom en plicht heeft het leven van Elsschot van begin tot eind onder spanning gezet. Hij verlangde ernaar kunstenaar te zijn, maar koos voor een maatschappelijke loopbaan nadat Fine zwanger was geraakt.

De Ridder was een harde zakenman die uitblonk in creativiteit, vasthoudendheid en perfectionisme. Hij verwierf niet alleen het recht om reclame te maken op het uitdijende Belgische spoorwegnetwerk, maar hij zorgde er bovendien voor dat zijn reclameborden optimaal werden onderhouden.

Een van de beste passages uit de biografie is een fragment uit een vroege versie van Lijmen, waarin de hoofdrol nog wordt vertolkt door een jonge vrouw. Deze Mies moet Bohrmann (dan nog niet Boorman) uit het café halen, maar ze schuift even aan bij de mannentafel. Er volgt een prachtige scène, gestuurd door witte port en de wederzijdse vervoering tussen het meisje en vier oudere mannen: ‘Het hoofd was licht, haar wangen gloeiden en zij voelde liedjes in zich opborrelen, zoodat zij zich bedwingen moest om niet aan ’t zingen te gaan. Hare vier vrienden, die eerst vrij geregeld om de beurt gesproken hadden, praatten nu allen door elkaar, elkander voortdurend gelijk gevend. Allerlei plechtige geloften werden gedaan en dezelfde verklaring werd soms tot zesmaal toe herhaald.’

Het citaat van Elsschot fungeert hier als een vliegwiel dat het verhaal van de biograaf intenser en dwingender maakt. Fraai verbindt Van de Reijt de scène met de genegenheid die De Ridder voelde voor zijn schoondochter Michelle en de vaststelling dat het kennelijk weer tijd was om ‘te biecht’ te gaan, om een boek te schrijven. Dan zie en voel je de spanning die door heel Elsschots leven liep: droom versus plicht.

Het waren meestal schokken in zijn privéleven die Elsschot ertoe verleidden de pen weer ter hand te nemen. De kracht van de passage hierboven maakt ook duidelijk hoeveel méér er in deze biografie had gezeten. Want dat schrijven voor Elsschot als een biecht fungeerde is waar, maar het is een van de waarheden die door Elsschot-vorsers al jaren als vaststaand wordt beschouwd. De werkelijke vragen liggen dieper: in hoeverre voelde Elsschot zich miskend, hoe onzeker was hij over zijn literaire werk? Verschool hij zich alleen omdat de vrijdenker Elsschot de katholieke zakenrelaties van De Ridder kon schaden? Het zijn onderwerpen waar Van de Reijt aan raakt, maar waar hij te weinig op ingaat. Niet uit onvermogen, maar omdat het niet in zijn opzet paste. Helaas maakt dat het gemis niet minder. Want hoeveel Elsschotvorsers zich de komende jaren nog op die kwesties zullen storten, geen van hen kan dat doen met de kennis die Van de Reijt nu heeft. Niet alle raadsels kunnen en hoeven opgelost te worden, maar ze hadden meer aandacht verdiend. Dat had de biografie spannender gemaakt.

Het aan het begin van dit stuk genoemde zinnetje komt letterlijk terug in de biografie. Dat geldt ook voor een andere belangrijke passage uit dat tien jaar oude stuk. Daarin schreef Van de Reijt: ‘Deze sonnetten introduceren het thema van schaamte en spijt in Elsschots werk, waaruit het sindsdien niet meer verdwenen is.’ Nu zegt hij het zichzelf woordelijk na. Als dergelijke kernzinnen in tien jaar tijd onaangetast blijven, is de opdracht die de biograaf zich heeft gesteld te beperkt geweest. Kort samengevat zijn levens altijd triest.

Vic van de Reijt: Elsschot. Leven en werk van Alfons De Ridder. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 379 blz. € 29,95