Hup, Rembrandt, hup: zet ons land op de kaart

Cultuurministers afficheren zich graag met bekroonde schrijvers. Onschuldig? Cultural diplomacy gebruikt de cultuur sans gêne voor het nationale belang, aldus Thije Adams.

Illustratie Bas van der Schot
Illustratie Bas van der Schot

Om haar staatsbezoek aan Qatar af te sluiten, biedt koningin Beatrix het gastland overmorgen een concert aan van het Amsterdam Baroque Orchestra. Bovendien heeft het Rijksmuseum 44 schilderijen, waaronder werken van Rembrandt, Vermeer en Hals, opgestuurd aan het Museum of Islamic Art in de Qatarese hoofdstad Doha, voor de tentoonstelling The Golden Age of Dutch Painting.

Op zichzelf zijn deze initiatieven uitstekend. Toch valt hier nog wel iets bij op te merken.

Als een land kunst en cultuur inzet om zijn profiel in het buitenland te versterken, spreken we van cultural diplomacy – een deel van het internationale cultuurbeleid. Vaak wordt cultural diplomacy aan dat internationale cultuurbeleid gelijkgesteld.

Bij grote voetbaltoernooien zitten steeds vaker regeringsvertegenwoordigers en zelfs staatshoofden op de tribune, om erbij te zijn als de beste mannen voor de natie in het krijt treden. Winnen doe je immers collectief. De supporters in het stadion en de thuisblijvers zijn allemaal luid toeterende kampioenen, ook al hebben sommigen overgewicht.

En wat betreft kunst en cultuur?

Weinig cultuurministers kunnen de verleiding weerstaan om bij een bekroonde schrijver of een beroemde zangeres een gezicht op te zetten alsof het een zaak is van de natie, meer in het bijzonder van het huidige kabinet en eigenlijk speciaal van hen. Dit is lachwekkend, maar het ‘wethouderhekkinggedrag’ van diplomaten en politici om toch vooral naast kunst in beeld te komen, neemt ook ernstiger vormen aan.

Zo gedragen ministers en staatshoofden zich bij literaire beurzen waar hun land de eregast is niet als gast, maar als chef de mission. ‘Kunst strekt een land tot eer’ verandert in ‘kunst heeft een land tot eer te strekken’. Wee de nestbevuiler die de illusie van eenheid en harmonie verbreekt. Net als sport wordt kunst hier voorgesteld als een afspiegeling van de samenleving, een pars pro toto.

„Met onze rijke, moderne, vooruitstrevende kunst versterken we onze economische en politieke positie. Want als je die kunst hebt, ben je cool. En een land dat cool is, heeft een sterkere positie dan een land dat niet cool is”, zei toenmalig staatssecretaris Timmermans (Buitenlandse Zaken, PvdA) in de Volkskrant van 19 september 2008. Zo aardig, slim, modern en divers als wij zijn op het gebied van kunst, zo zijn wij dat ook wat betreft ideeën en producten. Eigenlijk kunnen wij allemaal heel goed voetballen, zingen en met de mond schilderen.

De staat eigent zich hier de culturele sector toe als instrument voor public relations – cultural diplomacy dus. Is dat erg?

Traditioneel vormt cultural diplomacy één doelstelling van het internationale cultuurbeleid. Er zijn er meer, bijvoorbeeld met kunst bijdragen aan het onderlinge begrip tussen volkeren. De interculturele dialoog is daarvan een licht gehandicapt kleinkind.

Dan hebben we nog het doel om door middel van internationale uitwisseling te leren van anderen – hun boeken lezen, niet alleen jouw boeken verkopen.

De verbetering van de eigen kunstbeoefening is het doel. Internationaal cultuurbeleid is het middel. In het geval van cultural diplomacy ligt die verhouding omgekeerd. Cultural diplomacy gaat sans gêne voor het nationale belang, met kunst als toeter.

„Internationaal cultuurbeleid draait om zien en gezien worden”, aldus Timmermans.

„Zij komen om te kijken, maar vooral om bekijks te trekken”, aldus Ovidius over de jonge meiden in het circus. Aandacht is niet genoeg. Bewondering is wat men wil.

Cultural diplomacy is als een koekoeksjong bezig om die andere doelstellingen uit het nest te werken.

Niet alleen mensen en bedrijven, ook staten zijn nerveus hoe het hun zal vergaan. Ze zijn bevreesd om over het hoofd te worden gezien in het tumult van de mondialisering. Daarom is gezellig meespelen niet genoeg. Ze zijn doordrongen van het besef dat het erop is of eronder. In het modieuze maatpak van cultural diplomacy wordt Holland-promotie weer serieus genomen. Eén probleem is dat iedereen gehoor wil. Niemand wil luisteren.

Cultural diplomacy zal de concurrentie verder aanwakkeren en, omdat iedereen elkaar imiteert en succes kopieert, bijdragen aan de uniformiteit van het internationale culturele leven, die Tim Parks overtuigend heeft beschreven voor de literatuur (Opinie & Debat, 22 januari).

„Alles is in beginsel overal (maar de Mosselman is nergens meer)”, wist Abram de Swaan al een aantal jaren geleden. Overal op de wereld neemt de culturele diversiteit toe, maar het is telkens dezelfde diversiteit. Per saldo krijgen we dus meer eenvormigheid.

Cultural diplomacy draagt daaraan bij en maakt dus deel uit van het probleem, niet van de oplossing.

Thije Adams is voormalig directeur algemeen cultuurbeleid en directeur internationale betrekkingen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.