Sentimentaliteit is onnauwkeurig

Edmund de Waal kreeg van een oudoom 264 gordelknopen. Ze leidden tot het schrijven van de geschiedenis van zijn joodse familie, met mooie verhalen, aldus Gerda J. van Ham.

Netsukes uit de verzameling van Edmund de Waal. Foto's van diens site
Netsukes uit de verzameling van Edmund de Waal. Foto's van diens site

Edmund de Waal: Het knoopjeskabinet. Een familiegeschiedenis en een kunstverzameling in oorlogstijd. (The Hare with Amber Eyes). Vert. Willeke Lempens. Mistral, 320 blz. € 19,95

De erfenis telt 264 netsukes, een verzameling van kleine, grappige voorwerpen. Die van buxushout zijn lichter dan die van ivoor. Er schemert een glans over de rug van de getijgerde wolf en over de buitelende acrobaten in hun eeuwige omhelzing. De rustende faun op een berg bladeren is zijn scherpe belijning kwijt. De zittende man met kalebas concentreert zich met elke spier om zijn lemmet in het sappige vruchtvlees te steken.

De Engelse keramist Edmund de Waal (1964) erfde van zijn oudoom Iggie, baron Leo Ignace de Ephrussi, een verzameling Japanse netsukes. Deze collectie gordelknopen stond aan het begin van zijn onderzoek naar zijn familiegeschiedenis. De Waal schreef er The Hare with Amber Eyes over, dat als Het knoopjeskabinet in het Nederlands verscheen. De Waal bezocht de verblijfplaatsen van zijn joodse voorouders Ephrussi in Odessa, Parijs, Wenen en Tokio. Hij speurde in archieven, werkte zich door vele historische bronnen, bezocht begraafplaatsen en sprak met familieleden.

De Waal stuitte op een goudmijn van verhalen en feiten uit een turbulent tijdperk van de joodse cultuurgeschiedenis. In Het knoopjeskabinet heeft hij de familiekroniek vervlochten met de grote geschiedenis van oorlogen, met rijkdom, decadentie en antisemitisme. Zijn Parijse oudoom Charles de Ephrussi stond model voor het personage Swann in Prousts Op zoek naar de verloren tijd en hij figureerde ook op een schilderij van Renoir (Le déjeuner des canotiers). Zijn grootmoeder Elisabeth correspondeerde met de dichter Rainer Maria Rilke.

Als 17-jarige scholier bracht Edmund de Waal twee jaar in Japan door om het vak van pottenbakken te leren. Wekelijks moest hij 150 karaktertekens uit het hoofd leren. In die tijd bezocht hij maandelijks zijn oom Iggie in Tokio waar hij zijn eerste whisky met soda dronk. Iggie was ook een verzamelaar van Japanse kunst. Op een dag vroeg hij aan Edmund: ‘Heb ik je wel eens het verhaal van de netsukes in deze vitrine verteld?’

Wortels

Terug in Engeland studeerde hij Engelse literatuur en besloot hij zijn leven te wijden aan de keramiek, als kunstenaar, schrijver en docent. De Waal heeft Nederlandse wortels. Zijn grootmoeder Elisabeth studeerde als eerste vrouw af aan de Weense universiteit en trouwde met een Nederlander. Edmunds vader Victor, die in Amsterdam is geboren, werd priester van de Church of England. Deze tak van de familie kwam maatschappelijk ver af te staan van de familieleden die de handelsfirma Ephrussi uit Odessa in handen had. Als ‘koningen van het graan’ trokken die naar Parijs en Wenen waar ze in ongekende weelde leefde. Hun familiewapen van de verstrengelde dubbele E met korenaar werd bekroond met het motto: Quod Honestum (wij zijn onberispelijk).

De Parijse oudoom Charles ging wonen in een luxueuze stadsvilla aan het Parc Monceau, naast andere joodse families als de Rothschilds en de Camondo’s. Hij reed paard, nam schermles en danste de sterren van de hemel. Hij sliep in een praalbed, behangen met prachtige broderies en maakte een Grand Tour door Italië. Hij begon renaissancekunst te verzamelen en gaf opdrachten aan impressionistische schilders zoals Degas, Renoir en Monet. Als Charles meer betaalt dan is afgesproken voor een doek met een bundeltje asperges van de schilder Manet, stuurt de kunstenaar hem nog een extra schilderij met een enkele asperge.

Charles ontwikkelt zich tot amateurkunsthistoricus, schrijft een monografie over Dürer en wordt eigenaar van het tijdschrift Gazette des Beaux-Arts waar hij Proust contracteert als auteur. Hij organiseert met zijn broers beruchte bals en diners, en bezocht dagelijks de salons, volgens Edmund ‘mijnenvelden van roddel en achterklap’. Daar wordt hij opgemerkt door de vileine broers Edmond en Jules de Goncourt die hem in hun memoires karakteriseren als ‘slecht opgevoed en onuitstaanbaar’.

Op een zintuiglijke manier beschrijft De Waal dat Charles en zijn joodse minnares Louise Cahen d’Anvers (een luie kat, volgens Edmond de Goncourt) graag geziene bezoekers zijn van de achterkamertjes bij Bing en Sichel, goed gesorteerde winkels in Japanse snuisterijen. In Parijs tiert het japonisme welig. In een erotisch getinte roes koopt Charles de 264 netsukes, de stille getuigen van de hoogtijdagen van het imperium van de Ephrussi’s – en hun ondergang. De uit Odessa afkomstige graanimporteurs hebben zich opgewerkt tot adellijke bankiers en speculeren op de Parijse beurs. Ze worden in vijandige kringen getypeerd als roekeloze geldwolven.

Huwelijkscadeau

Charles schenkt in 1899 een zwarte lakwerkvitrine met de netsukes als huwelijkscadeau aan zijn favoriete neef, Victor, de stamhouder van de Weense familie. Victor trouwt met de beeldschone Emmy die slechts 18 jaar oud is en heimelijk verliefd op een ander. Het stel betrekt aan de Ringstrasse een groot huis, met balustrades, gouden stucwerk en vele vertrekken, zoals kleedkamers en balzalen. De Waal noemt het een Potemkin-stad van suikergoed voor parvenu’s. Er worden drie kinderen geboren (en een bastaard) die met de netsukes spelen als hun moeder Emmy zich verkleedt of voorleest uit sprookjesboeken.

Ondanks de moeite die bankier Victor zich getroost om een goed staatsburger te zijn, worden de joden in het openbaar steeds vaker beschimpt als bloedzuigers en woekeraars. Ten slotte begint de Tweede Wereldoorlog. Veel verwanten komen om in concentratiekampen, maar verschillende hoofdpersonen uit het boek weten door de slimheid van De Waals grootmoeder Elisabeth uit handen van de nazi’s te blijven. Hun huizen en landgoederen worden geconfisqueerd, bezittingen en kunst worden door de Gestapo geïnventariseerd en in kratten afgevoerd. Emmy gaat in ballingschap en pleegt uiteindelijk zelfmoord. Dit heikele onderwerp wordt doodgezwegen in de familie, evenals haar kille huwelijk en haar bastaardzoon.

Na de oorlog bezoekt Elisabeth het kapotgeschoten paleis aan de Ringstrasse. Ze hoopt nog iets van waarde aan te treffen in het karkas waar nu de Amerikanen kantoor houden. Er blijkt nog een oude vrouw op de bovenste verdieping te wonen, de oude kleedster van Emmy die in opdracht van de Gestapo alle bezittingen heeft moeten inpakken. Ze heeft in Wenen in de chaos van de plunderingen elke dag een netsuke meegenomen naar haar kamer. Uiteindelijk bewaart ze de 264 exemplaren in een schortzak onder het matras van haar bed.

‘Een sidderende stilte als in een vitrine’, is een regel van een gedicht van Rilke voor Elisabeth. Zij adoreerde hem en vroeg Rilke haar eigen gedichten van kritiek te voorzien. Rilke raadde haar aan zich te laten inspireren door de poëzie van het hier en nu. Later las zij de liefdesgedichten van haar jonge kleinzoon Edmund, de schrijver van Het knoopjeskabinet. ‘Wees niet sentimenteel’, schreef zij eens in de kantlijn, dat is emotionele onnauwkeurigheid. Met dit advies als leidraad heeft Edmund de familiekroniek geschreven.