Kijk maar, ze zijn aan het flirten

Thomas Struth fotografeerde museumbezoekers over de hele wereld. Nu is hij overgestapt naar kernreactoren en industriële complexen. „Met mijn werk wil ik iets zeggen over zaken waar ik me zorgen over maak.”

De foto's die hij in 2005 in het Prado maakte van de schilderijen van Velázquez markeren het einde van Struths museumserie. Foto Thomas Struth
De foto's die hij in 2005 in het Prado maakte van de schilderijen van Velázquez markeren het einde van Struths museumserie. Foto Thomas Struth

Wat een heerlijk ondeugend prinsesje moet de jonge Margarita Teresa, dochter van de Spaanse koning Philip IV, geweest zijn. Geen enkel oog heeft ze voor de kindermeisjes die haar op Velázquez’ wereldberoemde schilderij Las Meninas (1656) omringen. In plaats daarvan gluurt ze ondeugend naar de jeugdige bezoekers van het Museo del Prado, die misschien wel speciaal voor haar gekomen zijn. Voor het schilderij staat een groepje kinderen, leeftijdgenoten van Margarita. Een van hen, een knul met een hanekammetje, gluurt terug. Het is net alsof ze flirten, zij vanuit de zeventiende eeuw, hij vanuit de eenentwintigste.

Dat wij van deze flirt getuige mogen zijn, hebben we te danken aan de Duitse fotograaf Thomas Struth. Sinds eind jaren tachtig maakt hij foto’s van bezoekers die in musea over de hele wereld oog in oog staan met kunstschatten uit vroeger tijden. Geduldig wacht Struth af vanachter zijn grootbeeldcamera – in het Louvre in Parijs, de National Gallery in Londen of het Art Institute in Chicago. Net zolang tot de museumbezoekers samen onbewust een sterke compositie vormen. „Tot het beeld zichzelf geschapen heeft”, noemt Struth dat.

In Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen in Düsseldorf hangen de mooiste exemplaren uit de museumserie weer even bij elkaar op een grootse overzichtstentoonstelling. De meeste zijn zelf klassieke kunstwerken geworden, die voor flinke bedragen in vooraanstaande musea terechtgekomen zijn. Zoals de foto van de vrouw met de roodgeblokte jas, die met haar kinderwagen een schilderij van Caillebotte binnen lijkt te lopen. Of de foto van de oude grijze man die zo intens een portret van Rembrandt bestudeert, dat het net lijkt of hij in de spiegel kijkt. Monumentale fotowerken zijn het, van soms enkele meters groot, die zo rijk zijn aan details dat je er minutenlang naar kunt kijken.

De foto’s die Struth in 2005 in het Prado maakte, markeren het einde van zijn museumserie, vertelt Thomas Struth op de openingsdag van zijn tentoonstelling. „Die foto van Las Meninas had ik al vanaf het begin van de reeks in mijn hoofd. Ik wist dat ik daarmee de serie wilde afsluiten. Het was nooit de bedoeling er tot in het oneindige mee door te gaan. In 2005 kwam er een nieuwe directeur bij het Prado en kreeg ik toestemming om er te fotograferen. Toen kon ik mijn museumserie afmaken.”

Struth vertelt dat hij al langer het gevoel had dat hij zichzelf aan het herhalen was. „Ik herinner me dat ik in 2001 werd uitgenodigd om foto’s te maken op de Vermeer-expositie in Londen. Het was er ontzettend druk, en ik heb talloze foto’s gemaakt van Vermeers Luitspeelster met mensen ervoor. Maar ik kreeg steeds meer het gevoel dat ik mijzelf aan het imiteren was. Alsof ik Thomas Struthje aan het spelen was. Uit frustratie maakte ik toen een foto zonder mensen. Later, bij het bekijken van de contactafdrukken, was ik geschokt. Want juist deze foto bleek de mooiste. Waar de bezoeker had moeten staan, was niemand. Het was een symbolisch eindpunt.”

Hij heeft het museumpubliek in de afgelopen twintig jaar zien veranderen, zegt Struth. „De bezoekers worden steeds ouder. Ik las laatst dat de gemiddelde leeftijd van bezoekers aan de Beyeler Foundation in Basel 54 jaar is. Dat vind ik echt choquerend. En het maakt me boos, dat jonge mensen blijkbaar liever tijd spenderen aan oppervlakkige zaken als Twitter en Facebook. In andere musea is het weer zo druk dat je de kunst nauwelijks nog goed kunt bekijken. Het lijkt erop dat iedereen tegenwoordig op dezelfde hoop moet schijten. Celebrity wordt belangrijk gevonden, en kunst die makkelijk te verhapstukken is.”

Je zou Thomas Struth een ouderwetse fotograaf kunnen noemen. Hij werkt langzaam maar gestaag aan een oeuvre dat uit een beperkt aantal klassieke onderwerpen bestaat – zoals straatgezichten, bloemstillevens, landschappen en familieportretten. Graag laat hij zich inspireren door grote namen uit de kunstgeschiedenis. Zijn straten zijn net zo leeg en unheimisch als bij Giorgio de Chirico, zijn junglefoto’s net zo ondoordringbaar als de tuinen van Pierre Bonnard en zijn groepsportretten net zo statig als de schuttersstukken van Frans Hals. Niet voor niets drukt hij zijn foto’s af op die enorme formaten: ze zijn nadrukkelijk bedoeld als kunst – de equivalenten van schilderijen.

Ondanks de voortschrijdende digitale technieken gebruikt Struth nog steeds een analoge grootbeeldcamera, waarin platen van 20 bij 25 centimeter (8 bij 10 inch) geschoven moeten worden die lange belichtingstijden vergen. „Wanneer je met zulke grote formaten werkt, is de technische camera nog steeds de beste methode”, vindt Struth. „Alleen dan kun je de juiste scherpte behouden. Alhoewel: Leica heeft net de S2 digitale camera op de markt gebracht, die is fantastisch, met 100 MB per shot. Daar kun je ook flinke afdrukken mee maken. Een paar van mijn nieuwste foto’s zijn met die camera gemaakt. Maar ik blijf het een probleem vinden dat wanneer je een digitale foto bewerkt, je pixels toevoegt die er daarvoor niet waren.”

Een purist wil Struth zichzelf niet noemen. Maar als leerling van het echtpaar Bernd en Hilla Becher (zie kader) heeft hij wel een strenge leerschool achter de rug. De Bechers werden bekend met hun eindeloze reeksen zwart-witfoto’s van vakwerkhuizen, fabrieken en watertorens. Net als zij heeft Struth een methodische, haast encyclopedische aanpak. Rij na rij hangen in de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen zijn vroege zwart-witfoto’s van verlaten straten aan de muren. Alleen in zijn geboortestad Düsseldorf maakte hij er al zo’n driehonderd. Ze zijn allemaal vanuit hetzelfde standpunt genomen: vanaf het midden van de weg, met aan weerszijden hoge gebouwen die geleidelijk kleiner worden richting de horizon.

‘Unconscious Places’, noemde Struth zijn kenmerkende straatfoto’s. Omdat, zegt hij, de architectuur van een stad op een onbewuste manier het gemoed van haar inwoners beïnvloedt. „Die vroege straatfoto’s gaan over hoe het voelt om kort na de oorlog geboren te zijn. Ik herinner me nog goed de bunker die achter mijn lagere school stond. Daar liep ik in mijn jeugd iedere dag langs. Die sfeer heeft mij als kind erg beïnvloed.”

Natuurlijk heeft Struth zichzelf in de loop der jaren meer vrijheden toegestaan. Kleur deed eind jaren tachtig zijn intrede. Het strakke centraalperspectief werd losgelaten. De locaties werden exotischer. En met name op de foto’s die Struth in Japan en China maakte, wemelt het van de mensen. Gebleven is de droge, zakelijke blik waarmee Struth de wereld om zich heen bekijkt. Hij is niet op zoek naar dramatische gebeurtenissen of spectaculaire onderwerpen. Je zult bij hem geen heftige schaduwpartijen tegenkomen. Alles krijgt op zijn foto’s een evenwaardige behandeling, of het nu gaat om de neparchitectuur van Las Vegas of om het eeuwenoude marmer van het Pantheon in Rome. Authenticiteit is een sleutelwoord in Struths fotografische oeuvre. Hij wil, zegt hij, „de essentie van de werkelijkheid blootleggen in plaats van het publiek een subjectief idee voor te leggen”.

Struth: „Op het moment dat ik een foto neem, zie ik vooral het overzicht, de set die voor me is. In details ben ik niet zo geïnteresseerd. Ik ga vrij intuïtief te werk. Als een geigerteller die zijn antenne uitsteekt, zo stel ik tijdens het fotograferen al mijn receptoren open. Na al die jaren ben ik een getrainde compositiemaker geworden. De details zie ik pas op de grote afdrukken. Soms ontdek ik jaren later nog nieuwe dingen op mijn eigen foto’s.”

Nu de museumserie is afgerond, is Thomas Struth een nieuwe reeks gestart, die wezenlijk anders is. Tot nu richtte de fotograaf zijn camera vooral op alledaagse plekken, maar in Düsseldorf hangen foto’s van locaties die zo bijzonder zijn dat je nauwelijks herkent wat je ziet. Struth kreeg toestemming te fotograferen op plekken die doorgaans verboden terrein zijn, zoals de kernreactoren van het Max Planck Instituut voor Astrofysica in het Duitse Garching, of de raketbasis Cape Canaveral in Florida. Hij legde er de wirwar van snoeren, knoppen en buizen vast, maar bijvoorbeeld ook de kernreactor zelf, die eruitziet als een ruimteschip uit de nieuwste sciencefictionfilm.

Vanwaar deze ommezwaai? „Ik wilde iets fotograferen dat over deze tijd gaat”, antwoordt Struth. „Zoals de Eiffeltoren onlosmakelijk verbonden is met het einde van de negentiende eeuw, zo is een ontwikkeling als internet exemplarisch voor onze tijd. Daarom wilde ik foto’s maken van al die ingewikkelde radarwerken en netwerken.”

Net als collega’s Edward Burtynsky en Andreas Gursky legt Struth de structuren van de globalisering bloot. Zijn werken gaan over energie, over transport, over gentechnologie. „Met al mijn werken wil ik iets zeggen over zaken waar ik mij zorgen over maak”, zegt Struth. „En ik ben al een tijd behoorlijk gefrustreerd over de internationale politieke samenwerking. Ik was echt kwaad toen de klimaatconferentie in Kopenhagen in 2009 helemaal niets opleverde.

„Vervolgens begon ik me af te vragen hoe het toch kan dat er in de wetenschap en de technische industrie wel goed samengewerkt kan worden. Daar bestaat geen lack of agreement. Hoe ingewikkeld de materie ook is, in die sectoren is er blijkbaar wel geld voor nieuwe ontwikkelingen. Alleen spelen die ontwikkelingen zich grotendeels buiten ons gezichtsveld af. Terwijl we er in ons dagelijks leven wel enorm door beïnvloed worden. Daarom wilde ik een aantal van die locaties door middel van mijn foto’s ontsluiten.”

In die zin, zegt Struth, verschillen deze foto’s van hypermoderne installaties niet van zijn straatfoto’s uit de jaren zeventig en tachtig. „Destijds wilde ik laten zien hoe de samenleving zijn stempel drukt op de architectuur en vice versa. Ik wilde een bijdrage leveren voor verbetering, mensen bewust laten worden van de rol van architectuur in een stad en hoe wij daar allemaal voor verantwoordelijk zijn. Op een vergelijkbare manier is het nu nodig om de sporen te laten zien die de technologische ontwikkelingen nalaten in ons leven. Ik heb foto’s in Cape Canaveral gemaakt omdat ik wilde tonen waar wij als mensen toe in staat zijn. Want die ontwikkelingen kunnen ons ook weer geweldige kansen bieden, als we ons maar internationaal verenigen.”

Een wereldverbeteraar dus? Struth lacht. „Ja, ik vrees het wel.”

Thomas Struth, Fotografien 1978-2010. T/m 19 juni in Kunstsammlung Nordrhein Westfalen, K20, Grabbeplatz, Düsseldorf. Inl: www.kunstsammlung.de