Voor Afrikanen is Libië nu te gevaarlijk

De Libische leider Gaddafi zet Afrikaanse huurlingen in tegen rebellen. Libiërs koelen hun woede op zwarte gastarbeiders.

A Bengladeshi migrant worker who fled the unrest in Libya lines up at Libyan side of the Libyan and Tunisian border crossing of Ras Jdir March 2, 2011. REUTERS/Zohra Bensemra (TUNISIA - Tags: POLITICS CIVIL UNREST)
A Bengladeshi migrant worker who fled the unrest in Libya lines up at Libyan side of the Libyan and Tunisian border crossing of Ras Jdir March 2, 2011. REUTERS/Zohra Bensemra (TUNISIA - Tags: POLITICS CIVIL UNREST) REUTERS

Alle landen uit West-Afrika zijn vertegenwoordigd op het erf van een verlaten Turks bouwbedrijf bij de universiteit van Benghazi. „Ik wil hier niet sterven, iemand moet ons helpen. Libië is niet veilig voor ons zwarte Afrikanen, de haat tegen ons heeft de vrije loop gekregen”, jammert Adebajo uit Nigeria. „Libische jongeren koelen hun woede op ons, ze zien ons als huurlingen van Gaddafi”, vertelt een timmerman uit Burkina Faso.

Libië betekende geld voor de tienduizenden Afrikanen in Benghazi van ten zuiden van de Sahara. Ze trokken door de woestijn, te voet of in door smokkelaars geregelde auto’s. Ze vonden werk langs de Libische kust, als straatvegers, autowassers of in fabrieken, bakkerijen en slagerijen.

De paar honderd dollar die ze maandelijks verdienden was goud waard voor hun families thuis. Maar hun geluk veranderde in wanhoop toen Gaddafi buitenlandse huurlingen, onder wie veel zwarte Afrikanen, inzette en liet schieten op betogers. Nu willen ze het land uit maar hun regeringen willen of kunnen niets voor hen doen, ze zitten in de val van de opstand in Libië.

„Ja, ik ken enkele landgenoten die zich lieten inzetten als huurlingen”, zegt de Malinees Mamadou, „maar het overgrote deel van ons is hier om geld naar huis te kunnen sturen. Ik ben een bakker, geen soldaat. Ook wij zijn voor democratie en tegen Gaddafi. Waarom willen de inwoners van Benghazi dat niet begrijpen?”

Joah Yahaya is een mecanicien uit Ghana, Hij vertelt dat Libische jongeren zijn spullen verbrandden, zijn paspoort afnamen, dat hij moest rennen voor zijn leven. „Ze haten ons zwarten, ze vervloeken ons, ze arresteren ons”, klaagt hij. „Ik heb geen geld meer voor vervoer naar de Egyptische grens. En hoe kan ik straks thuis terugkeren zonder geld? Mijn familie zal dat nooit accepteren.”

Akintola Ojo is de enige onder de 1.200 zwarte Afrikanen op het erf bij de universiteit die zegt na de crisis te willen terugkeren naar Libië. „Ik speelde als verdediger voor de club Sulku in Benghazi, maar de voetbalcompetitie is stilgelegd. Ik verdiende duizend dollar per maand. Libiërs behandelen ons in het dagelijkse leven al snel als minderwaardig, maar niet op het voetbalveld. Dit land is nu eventjes te gevaarlijk voor ons geworden.”

Boten en vliegtuigen komen de honderdduizenden buitenlanders in Libië evacueren. Bij deze reddingsacties is niet iedereen gelijk. Arbeiders uit Bangladesh, Nepal en Afrikaanse landen houden zich angstig op in havens of duiken onder. Voor hen werd niet direct een reddingslijn uitgeworpen. „Waarom doen ze alles voor de Europeanen en niet voor ons zwarten”, zegt een Ivoriaan bitter. „Wij lopen hier gevaar, niet de blanken. Mon Dieu, help me om hier weg te komen.”

Het bloed druipt uit de zojuist geslachte schapen in de slagerij van Ahmed. Hij werkt vlak bij het erf waarop zich de angstige zwarte Afrikanen hebben verzameld. Hij vertelt over hoe zijn oom door „Afrikaanse huurlingen” voor zijn winkel werd doorgeschoten. „Ja, zwarten hebben reden om bang te zijn. We hebben twee huurlingen gevangen genomen, de een hebben we doodgeschoten, de ander verbrand.” Kunnen hij en vele andere middenstanders hun zaakjes nog wel draaiende houden zonder goedkope arbeiders? „Laat ze oprotten, er zijn zoveel werkloze Libische jongeren, zij zullen het vacuüm opvullen.”

De haat richt zich tegen zowel zwarte buitenlanders als tegen zwarte Libiërs uit het zuiden van het land. „Ik zat in de gevangenis van Gaddafi”, vertelt een klant die een schapenbout komt kopen. „Weet U wie de martelingen daar uitvoerden? De zwarten!” Een andere klant matigt de emotionele woorden. „We leven in Afrika maar we zijn Arabieren. U moet onze gevoelens begrijpen. Gaddafi zette de Afrikanen tegen onze demonstrerende jeugd in. We hebben niets tegen hen. Ze hebben geen cultuur maar het zijn geen slechte mensen.”

Op het erf bij de universiteit rent Ahmed Kamal af en aan. De gestrande zwarte Afrikanen wijzen hem als hun redder aan. Kamal deelt voedsel en dekens uit. „Ik ben een handelaar in Benghazi en een vrijwilliger sinds de revolutie”, vertelt hij. Vanaf het eerste uur van de opstand probeerde hij de Afrikanen te helpen en te beschermen. „Ze zijn kwetsbaar. De haat kreeg de eerste dagen de vrije hand.” Kamal organiseerde een veilige plaats voor hen en regelde gewapende beveiliging rond het erf. „We proberen de diepe afkeer onder de bevolking tegen hen onder controle te krijgen. We doen wat we kunnen doen.”