Verouderd kiesstelsel kampt met gebreken

De kiezer kon gisteren zijn stem uitbrengen op Ruud van Heugten, lijsttrekker van het CDA in Noord-Brabant. Of in Friesland, waar de Provinsjale Steaten ook moesten worden gekozen, op Annigje Toering, die de lijst van de provinciale partij FNP aanvoerde. In Noord-Holland konden ze een voorkeurstem uitbrengen op Dorienke de Grave-Verkerk, nummer drie op de lijst van de VVD, of, ander voorbeeld, in Gelderland op Jeroen van Urk, de lijstduwer van de PvdA.

Op Roger van Boxtel, kandidaat-fractieleider van D66 in de Eerste Kamer, konden ze níét stemmen, hooguit indirect. Op Emile Roemer, de fractieleider van de SP in de Tweede Kamer, al helemaal niet, net zo min als op Jolande Sap van GroenLinks of Geert Wilders van de PVV. Toch deden deze landelijke ‘kopstukken’ volop mee aan de verkiezingscampagne, evenals de onverkiesbare PvdA-leider Job Cohen en de al even onverkiesbare Mark Rutte, die even niet zozeer premier van alle Nederlanders was, maar vooral een VVD’er met een uitgesproken voorkeur.

Meer dan ooit stonden de Provinciale Statenverkiezingen in het teken van de landelijke politiek. In het bijzonder was de vraag of de regeringscoalitie van VVD en CDA samen met gedoogpartner PVV op 23 mei in de Eerste Kamer de meerderheid haalt waarover ze nu niet beschikt. Opeens ook stelden in deze campagne kandidaat-senatoren zich als ‘lijsttrekker’ voor, hoewel geen gewone kiezer op hen kon stemmen.

Deze voorbeelden tonen de gebreken aan die aan het kiesstelsel kleven. Het negentiende-eeuwse systeem dat Provinciale Statenleden de Eerste Kamer kiezen, zoals over twaalf weken weer het geval is, is achterhaald. Zeker nu ‘Den Haag’, zowel oppositie als regering, de senatoren zoveel politieke invloed en macht toekent, wringt het dat zij daarvoor geen rechtstreeks mandaat van de kiezers krijgen.

Formeel is het bovendien zo dat de Eerste Kamer over weinig minder bevoegdheden beschikt dan de wel direct door de bevolking gekozen Tweede Kamer. De senaat kan wetsvoorstellen niet veranderen, maar wel verwerpen. Hij kan de regering niet naar huis sturen, maar wel in verlegenheid brengen. Of individuele bewindslieden, zoals in 1958 de staatssecretaris van Oorlog, Ferdinand Kranenburg (PvdA), en in 2006 minister Thom de Graaf (Binnenlandse Zaken, D66), die zelf opstapten na een conflict met de Eerste Kamer.

Zolang Nederland de voorkeur geeft aan een tweekamerstelsel, verdient de burger het dat hij de Kamers die bijna evenveel macht kunnen uitoefenen, beide zelf democratisch kan kiezen. Maar evenzeer verdient het aanbeveling dat de taken tussen Tweede en Eerste Kamer helder worden afgebakend. Veel duidelijker dan volgens de mores en het ongeschreven, levende en daardoor o zo multi-interpretabele staatsrecht nu het geval is.