Unfair systeem studiepunten

Technische opleidingen zijn vaak zwaarder dan alfa- of gammastudies.

Waarom krijgt elke student toch hetzelfde aantal studiepunten?

Na een hoop discussie en oproer zal het binnenkort zover zijn: het wetsvoorstel dat langstudeerders beboet, zal dan worden aangenomen – althans, als het aan staatssecretaris Zijlstra van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ligt.

In dit debat over langstuderen ontbreekt een belangrijke nuance: het verschil in studie-inzet en prestatienormen tussen de verschillende studies.

Zo is het menig technisch student een doorn in het oog dat hij of zij al vanaf het begin van de studie serieus aan de bak moet, terwijl bijna alle collega-studenten van alfa- en gamma-opleidingen zich naar hartelust kunnen toeleggen op het ‘studentenleven’.

Tegelijk blijkt dat bij deze alfa- en gammaopleidingen het percentage studenten dat binnen vier jaar hun bachelor haalt op 50 procent ligt, waar technische opleidingen slechts 30 procent bereiken. Je zou hieruit kunnen concluderen dat de technisch student een relatief slechte prestatie levert. Maar in werkelijkheid is het omgekeerde waar: studiepunten zijn bij een gemiddelde alfa- of gammastudie een stuk makkelijker binnen te harken.

Een student aan een van de technische opleidingen zal met de voorgeschreven 28 studie-uren per studiepunt vaak een lager punt halen dan een alfa- of gammastudent die er minder tijd instopt. En dat is het grootste probleem met kwaliteitshandhaving van het huidige onderwijssysteem: de normen waaraan prestaties worden afgemeten, zijn een beroerde afspiegeling van de daadwerkelijke prestatie. Daardoor komt kwaliteit te boek te staan als wanprestatie.

Als we dit onrecht niet aanpakken en studenten louter blijven beoordelen op het aantal behaalde studiepunten, zullen gebrekkige onderwijsnormen onder het oppervlak verscholen blijven. En omdat financieel de duimschroeven worden aangedraaid, is het slechts een kwestie van tijd voordat ook het technisch onderwijs zal afzakken tot een bedenkelijk niveau.

Het wordt dan ook tijd dat er een eerlijke en onafhankelijke maatstaf komt die de prestaties van een student kan meten.

De afwezigheid van zo’n maatstaf pleit tevens voor uitstel van het geplande wetsvoorstel, zodat de verschillen verder onderzocht kunnen worden. Een aangepast wetsvoorstel kan er dan voor zorgen dat er op een eerlijke manier wordt bezuinigd, waarbij ook rekening wordt gehouden met de inhoud en de maatschappelijk-economische opbrengst van verschillende studies.

Als hier geen tijd voor wordt genomen, ligt het, gezien de internationale concurrentie, in de lijn der verwachting dat ons land op de lange termijn de rekening gepresenteerd gaat krijgen. Het is de vraag of het kabinet dat over dertig jaar dit land bestiert, zo blij zal zijn met het kortetermijndenken van het huidige.

Erik Roebroek is student werktuigbouwkunde aan de Technische Universiteit Eindhoven.