Totdat de pijn verdwijnt

Hisham Matar is een Libische schrijver in ballingschap. ‘Totdat de pijn verdwijnt’ is zijn persoonlijke verslag.

De afgelopen dagen is er iets fundamenteels veranderd. Ik merk het aan mijn lichaam, aan mijn rug die zo licht aanvoelt. Ik heb nog niet in de spiegel gekeken, maar ik verbeeld me dat het oude verdriet in mijn ogen anders is geworden. Moammar al Gaddafi, al tweeënveertig jaar de plaag van Libië, is nog altijd niet weg, maar de geschiedenis heeft hem ingehaald; is het onmogelijk ons nog een Libië met hem voor te stellen.

Al tweeëndertig jaar, sinds mijn familie uit Libië is weggegaan, kijk ik over mijn schouder. Ik weet nog dat ik een keer op Heathrow landde, nadat ik het grootste deel van de vlucht mijn dierbare vader met zijn nieuwe haarkleur had zitten plagen, en dat ik een man die in de aankomsthal stond te wachten tegen iemand naast hem hoorde fluisteren: „Hoe ziet die Jaballa Matar er trouwens uit?” Het accent was Libisch.

Ik heb mijn vader nooit meer geplaagd als hij zijn haar weer eens verfde of die vreselijke zonnebril opzette die hij op familievakanties in Europa dikwijls droeg. Ook plaagde ik hem niet als hij me vroeg om afstand te houden terwijl hij controleerde of er met de auto was geknoeid.

In Egypte, waar we woonden, hadden we dag en nacht bewaking. De gewapende bewakers zaten voor de deur en volgden ons overal waar we gingen. Het werd een tweede natuur om er altijd van uit te gaan dat onze gesprekken – aan de telefoon, in huis, overal – werden opgenomen. We leefden altijd in de wetenschap dat het uitgesproken verzet van mijn vader tegen de dictatuur van Gaddafi tot gevolg had dat bij alles in ons leven de Libische of Egyptische geheime dienst meeluisterde. We vermoedden dat elke bediende in ons huis, elke hand die ons bed opmaakte en ons eten kookte, tot de Egyptische Muchabarat behoorde.

We wisten dat die bewakers die de Egyptische overheid ons opdrong, er niet waren om ons te beschermen, maar om ons leven te controleren. Na tien jaar, in 1990, toen het Egyptische bewind erbij gebaat was om mijn vader aan de Libiërs uit te leveren, werd hij ontvoerd door dezelfde mannen die ons bewaakten. Daarna legden ze ons met dreigementen het zwijgen op. „Als jullie praten, is dat schadelijk voor meneer Jaballa”, zeiden ze dan.

De Egyptenaren brachten ons in de waan dat mijn vader in Egypte werd vastgehouden. Drie jaar later kwam er een brief. Die was uit Abu Salim, de beruchte politieke gevangenis in Tripoli gesmokkeld. Hij was geschreven in mijn vaders handschrift. De brief beschreef wat er was gebeurd. Dat mijn vader de dag nadat hij was meegenomen, naar Libië was overgevlogen. De brief bracht de waarheid aan het licht, maar maakte ons het spreken nog onmogelijker. Mijn vader vroeg ons tegen niemand iets te zeggen: „Dan zou ik in een bodemloze afgrond belanden. Ik word nog liever doodgemarteld dan de namen te onthullen van de mensen die me hebben geholpen om jullie deze brief te bezorgen.”

Uiteindelijk werd het zwijgen voor mij ondraaglijk en sprak ik me uit. Na de verschijning in 2006 van mijn roman Niemandsland, over het leven in Libië onder Gaddafi, werd ik een openlijk criticus van de Libische dictatuur. Dit leidde tot grote angst bij mijn familie.

Het werd niet meer veilig geacht dat ik nog in Egypte kwam. De afgelopen vijf jaar kon ik niet meer naar de stad waar mijn familie en jeugdvrienden wonen. Verscheidene Libische vrienden en familieleden zochten geen contact meer met mij als ze in Londen waren. Ik ging in een tweede ballingschap. Daarna kreeg ik telkens berichten van Libische functionarissen die me vroegen om op te houden. Ze probeerden me om te kopen. En toen dat niet werkte, begonnen de bedekte bedreigingen.

Na elk artikel en televisie- of radio-interview waarin ik kritiek op de Libische regering uitte of Gaddafi dictator noemde – een vergrijp waarop in Libië de doodstraf staat – liep ik dagenlang rond met het gevoel dat de blik van het bewind in mijn rug priemde, waarbij ik mezelf doorlopend voorhield niet zo paranoïde te doen.

Zoals elke Libiër u zal vertellen, zegt bijna elke taxichauffeur in New York, Londen, Parijs of Kaïro als hij hoort waar je vandaan komt: „O, ja, Gaddafi.”

„Nee, niet Gaddafi, ik kom niet uit Gaddafi, ik kom uit Libië”, zeg ik dan, en let erop dat er geen woede in mijn stem klinkt, want zelfs een onderdrukte wil niet onsportief overkomen.

Vooral de afgelopen tien jaar merkte ik dat ik de hoop verloor. Ik vroeg me gaandeweg af of Gaddafi de Libische geest niet had gedood. Ik voelde mijn hart tegenover mijn eigen land verkillen. Ik koesterde een zwijgende en tegennatuurlijke afkeer van mijn eigen volk. Tegennatuurlijk omdat haat tegen landgenoten neerkomt op zelfhaat. Bij tijd en wijle, op Libische bijeenkomsten, ebde dit even weg en was ik totaal verliefd op alles wat Libisch was. Vaak was ik leeg en moe als ik weer eens tussen die twee uitersten heen en weer was geslingerd.

Ik ben veertig jaar. Ik heb Libië niet zonder Gaddafi gekend. Dezer dagen, nu ik de val van de dictatuur en – belangrijker nog – de opkomst van het Libische volk meemaak, besef ik dat mijn land tot nu toe vrijwel uitsluitend een bron van angst, pijn en schaamte is geweest. Nu is het een bron van vreugde en trots.

Hoe nauw de Libische revolutie in tijd en plaats ook verwant is met de opstanden in Tunesië en Egypte, in bepaalde opzichten is ze ook volstrekt uniek. Het is vooral zo’n voldoening om dit mee te maken omdat het project van Gaddafi altijd een narcistische campagne is geweest dat in de eerste plaats beoogde om zijn volk naar zijn evenbeeld te herscheppen. Nu zien we dat hij daar niet in is geslaagd en dat de menselijke geest altijd het licht zal zoeken.

De Libiërs die in Benghazi dansen tussen de zee en het gerechtsgebouw en die hand in hand zingen ‘Wij blijven hier totdat de pijn verdwijnt’, herontdekken alles wat mooi aan Libië is: ons lange verzet tegen het fascisme – van Mussolini en Gaddafi – onze voorliefde voor gematigdheid, onze mediterrane openheid voor de wereld, onze humor en ons gezang.

Ik weet niet wat Gaddafi met mijn vader heeft gedaan. Ik weet wel dat hij de Libische geest niet heeft kunnen doden.

Hisham Matar is de auteur van Niemandsland. Zijn nieuwe roman Anatomie van een verdwijning verschijnt half september bij Uitgeverij Meulenhoff.