Tot zover het debat over kerncentrales

Of er nu wel of geen extra kerncentrales komen, het energievraagstuk blijft.

Voor- en tegenstanders laten zich leiden door sentimenten, niet door cijfers.

Tijdens de afgelopen verkiezingen werd er weer gedebatteerd over de bouw van kerncentrales. In de discussie over kernenergie speelt een beperkt aantal argumenten een rol. Tegenstanders komen met het nucleair afval; uraniumschaarste en proliferatie. Voorstanders noemen goedkope energie, klimaatverandering en onafhankelijkheid van olie.

Het relatieve belang dat aan deze argumenten wordt gehecht, is meestal direct gecorreleerd aan politieke voorkeur of geloof in klimaatverandering. Zowel voor- als tegenstanders laten zich liever leiden door hun eigen denkbeelden, dan door de feiten.

Tegenstanders bedienen zich, bijvoorbeeld, graag van het schaarste-argument: net als olie en gas moet uranium uit de grond worden gehaald. De voorraad is dus eindig.

Is de uraniumvoorraad bijna op? Als we bereid zijn 40 dollar per kilo uranium te betalen, gaan de huidige reserves ruwweg 30 jaar mee. En voor een prijs van 130 dollar per kilo kunnen producenten moeilijk bereikbare ertsen winnen. Dat levert 20 jaar extra op (en als we de minder zekere reserves meetellen, totaal 70 jaar). Op dit moment is overigens ongeveer 40 procent van de uraniumproductie afkomstig uit oude atoombommen.

Dat lijkt inderdaad niet veel, maar toch gaat dit argument niet op. De cijfers over de wereldwijde uraniumreserve komen uit het zogeheten Red book, gepubliceerd door het International Atomic Energy Agency en het Nuclear Energy Agency. Deze gegevens worden geleverd door de uraniumproducerende landen zelf, en zijn alles behalve betrouwbaar.

Neem het verschil tussen de gegevens van 2005 en 2007. Zonder daar noemenswaardig geologisch onderzoek tegenover te stellen, verdubbelden Australië, Kazachstan en Zuid-Afrika hun reserves. Rusland spande de kroon met een toename van 1.770 procent. Maar er zijn ook spectaculaire dalingen te vinden. Zo was Niger juist 88 procent van zijn uraniumvoorraad kwijtgeraakt.

Hiervoor zijn verschillende verklaringen te geven. Een hoge uraniumvoorraad is een fantastisch argument om buitenlandse investeringen aan te trekken, terwijl een lage reserve juist potentiële concurrenten kan weren. Ook zijn er bedrijven en overheden die bewust reserves onderschatten, om de lokale bevolking onwetend te houden over de hoeveelheid geld die er nog in de grond zit.

De conclusie is uiteindelijk dat uraniumschaarste een volstrekt onbetrouwbaar argument is tegen kernenergie. Tegenstanders doen uitspraken over toekomstige ontwikkelingen, maar omdat de onderliggende cijfers over uraniumreserves vooral gebaseerd zijn op politieke spelletjes, zijn die uitspraken niet hard te maken.

De voorstanders van kernenergie maken juist de tegenovergestelde fout. Het maximaal aantal kerncentrales dat in de toekomst kan worden gebouwd, is juist wel te voorspellen, maar men laat dit achterwege.

Het argument vóór kernenergie dat de afgelopen jaren het meest aan kracht heeft gewonnen is het feit dat de relatief lage CO2-uitstoot van atoomstroom kan helpen met het voorkomen van serieuze klimaatveranderingen. Dit argument impliceert wel dat nucleaire stroom substantieel moet groeien: op dit moment nemen 441 kerncentrales slechts een schamele 6 procent van de wereldwijde energieproductie voor hun rekening.

Daar komen nog twee trends bovenop die dit aandeel verder zullen drukken: de meeste huidige kerncentrales zijn aan het eind van hun levensduur. Maar de totale wereldenergiebehoefte verdubbelt in de komende twintig jaar. De vraag is dan in hoeverre kernenergie in de toekomst een rol van betekenis zou kunnen spelen.

De beperkende factor is hier vooral dat er simpelweg niet genoeg mensen zijn die weten hoe ze kerncentrales moeten bouwen. Op dit moment zijn er wereldwijd 55 centrales in aanbouw. Omdat het jaren duurt voordat een kerncentrale af is, worden er dus slechts vijf à tien centrales per jaar opgeleverd.

Experts zeggen dat dit aantal wel hoger kan komen te liggen, maar veel meer dan 40 per jaar moeten we de komende decennia niet verwachten. En zelfs dat is alleen mogelijk als we vandaag nog beginnen met het investeren van honderden miljarden, en het traject om benodigde vergunningen te verkrijgen met enkele jaren wordt ingekort.

En wat krijgen we voor al deze moeite terug? Volgens het beste scenario kan de bijdrage van kernenergie aan de wereldwijde energieproductie pas in 2030 verdubbelen naar 12 procent.

Alle kleine beetjes zijn natuurlijk mooi meegenomen, maar als we nuchter naar de feiten kijken kunnen we helaas niet anders dan concluderen dat kernenergie vooral een leuk speeltje is voor de politiek. In de echte wereld doet het er amper toe.

Benjamin Sprecher is student Industrial Ecology