Toetsen op school, dat verhoogt de kwaliteit niet - integendeel

Wat bezielt de minister en de Onderwijsraad om meer toetsen te bepleiten op scholen? Hebben ze dan echt geen idee hoe je de onderwijskwaliteit verhoogt, vraagt Ewald Engelen zich af.

Het Nederlandse onderwijs vertoont steeds meer sleetse plekken. Tien jaar geleden waren we nog koploper in rekenen en taal en rolmodel voor opkomende landen. Inmiddels flikkeren we bijna uit de toptien en kijken we smachtend naar landen als Finland, die we vroeger geen blik waardig achtten. Ook met voor- en naschoolse opvang lopen we hopeloos achter. Waar ‘achterlijke landen’ als België en Duitsland dagvullende arrangementen bieden, is in Nederland de voorschoolse opvang duur en ‘smerig’ en de naschoolse zielig en armoedig.

Terwijl investeringen in onderwijs door vergrijzing en de opkomst van Azië alleen maar belangrijker worden, trapt dit kabinet op de rem. Geen cent wordt op het onderwijs gekort, meldt de coalitie.

Het kabinet gelooft heilig dat toetsen het antwoord zijn. Elke sleetse plek gaat het ermee te lijf. Vorige maand nog introduceerde de Onderwijsraad het idee om het niveau van het voortgezet onderwijs op te sjorren met een soort Citotoets in klas twee. Van Bijsterveldt maakte deze week bekend de Citotoets verplicht te stellen, ongeacht terechte bezwaren tegen het eenzijdig cognitieve en onverbiddelijke karakter ervan.

Wat bezielt erkende kindervrienden als Van Bijsterveldt en voorzitter Ten Dam van de Onderwijsraad om het probleem van matig en demotiverend onderwijs te lijf te gaan met meer toetsen? Toetsen zijn nuttig, als ze worden gebruikt als diagnostisch instrument. Cruciaal is dan de extra onderwijsinspanning die leerkrachten plegen om de prestaties van het kind dat laag scoort te verbeteren. Iedere ouder weet dat van dat laatste in Nederland geen moer terecht komt. Zelfs op het gymnasium ontbreekt de tijd om leerlingen te vertellen wat ze goed of fout hebben gedaan. Dan kun je nagaan hoe de situatie moet zijn in het vmbo.

Toetsen dienen niet om achterstanden op te sporen en vervolgens in te halen, maar om leerlingen te beoordelen en te verdelen over onderwijstypen. Nu al beslist de Citotoets over leven en lot en staat hij sociale stijging in de weg – een rampzalige travestie van de oorspronkelijke emancipatoire ambities.

Niet alleen heeft toetsen niets te maken met goed onderwijs, het staat daar haaks op. Uit internationaal onderzoek is bekend dat pedagogische excellentie staat of valt met passie en deskundigheid van de leraar. Dat heeft niets te maken met geld, wel met professionaliteit en pedagogische vrijheid.

Of het nu gaat om de hoogleraar, de leerkracht op de middelbare school of de kleuterjuf, in Nederland hebben politici en schoolbestuurders de onbedwingbare neiging om het zaad van het wantrouwen met handenvol in de schoolgebouwen te smijten. Volgens de Onderwijsraad moeten leerkrachten die slecht scoren zich laten bijscholen, op straffe van het verlies van hun onderwijsbevoegdheid. In de ogen van de deze adviesraad is iedere leerkracht kennelijk een uitvreter, die alleen bij de les kan worden gehouden door te dreigen met verlies van broodwinning.

Deze bejegening van professionals tref je inmiddels aan in het hele onderwijs. Het argument is ‘controle op de besteding van belastinggelden’. So far, so good, maar als ik zo vrij mag zijn: hoe staat het met de veel genereuzer beloonde leden van de raad zelf? Verliezen zij ook hun baan als ze weer eens zo’n gedrocht van een rapport publiceren? Hoe zit het met hun prestatie-eisen?

Ik kan alleen maar gissen naar de redenen voor de toetsgekte die het Nederlandse onderwijsbestel in zijn greep houdt. Ten eerste: omdat het goedkoop is. Als je met zijn allen hebt afgesproken dat je geen zier geeft om het levensgeluk en het concurrentievermogen van toekomstige generaties, maar dat niet durft te zeggen, kun je met verplichte toetsing tenminste daadkracht suggereren zonder dat het je geld kost. Een minder cynische, maar zeker zo trieste reden is dat het onze politici door de vrijheid van onderwijs stomweg aan juridische middelen ontbreekt om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Extra belastinggeld belandt toch maar in de zakken van die priesters van het middenveld – koepelbestuurders, schooldirecteuren en collegeleden die vooral goed voor zichzelf zorgen –, terwijl striktere didactische en pedagogische eisen onherroepelijk botsen met de Grondwet.

Een zo mogelijk nog triestere reden is dat politici stomweg geen idee hebben waar het om zou moeten gaan in het onderwijs van de 21ste eeuw – economische concurrentie, burgerlijke vorming, reproductie van sociaal-economische ongelijkheden of verheffing en verbinding? Ik vrees van allemaal een beetje. Ondertussen hebben onze kinderen en kleinkinderen het nakijken.

Ewald Engelen is hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam.