Arabische lente kwam niet als 'verrassing'

Opinieleiders en politici zijn „verrast” door de „plotselinge” Arabische lente. Het WRR-rapport daarover, uit 2006, werd neergesabeld, schrijven Grethe van Geffen en John Grin.

Moeten we het niet eens hebben over de verrassing van de Arabische lente, de plotselinge opstand in Noord-Afrika die door ‘niemand’ was voorzien? Was het echt zo’n ‘verrassing’? Hadden we geen wetenschappelijk advies dat een smeulend democratisch verzet had gesignaleerd? Het antwoord is dat dat advies wel degelijk is aangeboden, maar dat het werd weggehoond.

Op 10 april 2006 verscheen het WRR-rapport Dynamiek in islamitisch activisme. Het besprak een toenemend aantal islamitische filosofen, feministen en studentenbewegingen in landen als Algerije, Indonesië, Egypte, Tunesië en Marokko – bewegingen die democratische beginselen en mensenrechten centraal stelden. De WRR bepleitte dat het Nederlandse buitenlandbeleid zich door deze ontwikkelingen zou laten informeren en die ontwikkelingen als aanknopingspunt zou beschouwen voor een beleid dat de democratisering van binnenuit zou helpen bevorderen.

Hoewel het rapport goed was onderbouwd, reageerden opinieleiders en politici heftig. Trouw-columnist Sylvain Ephimenco sprak van „nuttige idioten”. In NRC Handelsblad repte Afshin Ellian over „politieke charlatanerie”. Dit is de taal der dwazen, reageerde Geert Wilders. „Ik blijf erbij dat de islam onverenigbaar is met democratie”. „Dit is onzorgvuldige lariekoek. Studeerkamerpolitiek”, zei Maxime Verhagen in Elsevier.

Voor het lezen van de feiten was geen tijd. Ayaan Hirsi Ali zag in het rapport aanleiding tot „hervorming van al die adviesorganen”. Vanuit de PVV werd zelfs voorgesteld om de WRR op te heffen.

Destijds noemden we dergelijke reacties verontrustend. Kennelijk was de boodschap van de WRR zo onwelkom dat een redelijk debat over het bestaan van diversiteit in de verhouding van de islam tot democratie en mensenrechten in de kiem werd gesmoord (Opinie, 25 april 2006). In het licht van de actualiteit blijkt dit een miskleun te zijn geweest. Nederland heeft nauwelijks gediscussieerd over het rapport en is volkomen verrast door de ‘plotselinge’ Arabische Lente.

Nu allerwegen het thema ‘omwenteling’ in de Arabische wereld speelt, mist Nederland antennes en aanknopingspunten met de diverse bewegingen. Het is moeilijk om de gebeurtenissen te duiden. Op de omwenteling in Egypte is buitengewoon terughoudend gereageerd, vanuit de angst dat moslimfundamentalisten de macht zullen grijpen. De dynamiek van de Arabische samenleving is onvoldoende in beeld om buitenlands beleid te kunnen voeren.

Wat we hiervan leren, is dat angst een slechte raadgever is, ook in het debat over de rol van de islam in relatie tot politiek, democratie en mensenrechten. Angst leidt tot kretologie over de islam. Die angst verhindert reflectie over de Nederlandse verhouding tot de islam en leidt tot gemiste kansen voor ons buitenlandbeleid.

Momenteel horen we de columnisten weer: „Vrienden, er komt geen lente in de Arabische wereld. Een storm is op komst” (Ellian); „Is het ondenkbaar dat (…) de moslimbroeders het vehikel van de democratie ge- en misbruiken om een streng islamitisch regime te vestigen? Die vrees deel ik met anderen, hoewel ik moet erkennen dat we voorlopig het stadium van speculaties niet ontstijgen” (Ephimenco).

De politieke partijen blijven tot op heden verrassend stil, de altijd zo bij de islamitische wereld betrokken PVV incluis. Of zijn ze misschien alsnog het WRR-rapport aan het lezen?

Grethe van Geffen is directeur van Seba cultuurmanagement bv en columnist. John Grin is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.