Speurwerk in duizenden urinemonsters

Het dopinglaboratorium in Gent analyseert zesduizend monsters per jaar. Niet naar ieders genoegen. Maar: „Pas bij 100 procent zekerheid meld ik een positieve test.”

Bij een muis, een bankschroef, de hypofyse en een peperduur apparaat met de koosnaam Mathilda denk je niet direct aan een dopinglaboratorium. Dan wordt eerder de connotatie met bloed en urine gemaakt.

Directeur Peter van Eenoo van het dopinglab in Gent weet dat hij een moeilijk verhaal te vertellen heeft, maar een enkele keer zet hij de deuren van zijn lab open om ook zijn informatie te verstrekken. Als controlerende instantie zit hij naar zijn smaak iets te vaak in de beklaagdenbank.

Niet onlogisch, want Van Eenoo en zijn medewerkers ontmaskeren bedriegers in de sport. En die stellen zich vervolgens te weer. Er zijn dan ook grote belangen mee gemoeid. Duurbetaalde sporters zien hun inkomsten wegvallen, sponsors hun goede naam besmeurd worden en handelaren in stimulerende middelen hun afzet in gevaar komen. „De markt voor dopemiddelen is nu al groter dan de markt voor drugs”, vertelt Van Eenoo. „Dan weet je dat de onderwereld geïnteresseerd is.”

Van Eenoo is een wetenschapper die er alles aan gelegen is de juiste analyses te maken – „als ik niet honderd procent zeker ben van een positieve uitslag rapporteer ik niet.” Maar zodra hij een positieve test wereldkundig maakt treedt doorgaans een groot afweermechanisme in werking. Met methoden waarbij Van Eenoo zijn bedenkingen heeft. „De verdedigers komen met een stortvloed aan data. Die tactiek wordt meer en meer toegepast. Ze komen met wel 200 argumenten, waarbij wij als wetenschappers bij bijna de helft van onze stoel vallen van het lachen. Als je niet deskundig bent is al die informatie niet te duiden.”

Juridisch houdt Van Eenoo zich op de vlakte. Hij vertelt liever over het gevaar van groeihormonen die illegaal uit de hypofyse van lijken worden gehaald. „Daarmee loop je een verhoogd risico op de ziekte van Creutzfeldt-Jakob.” Of hij spreekt over het nut van een muis van vijfduizend euro, die voor onderzoek met menselijke levercellen wordt ingespoten. Het alternatief voor verboden onderzoek bij mensen. „Die muis is onze mens.”

Zodra de deuren van het dopinglab letterlijk opengaan voor een rondleiding van Van Eenoo valt de gewoonheid der dingen op. En de vier racefietsen van medewerkers, die onder anderen hebben vastgesteld dat de Belgische wielercrack Tom Boonen cocaïne heeft gebruikt. „Wij zijn sportliefhebbers, dat wordt vaak vergeten”, verklaart Van Eenoo, die ook liever spreekt van de strijd voor fair play dan van de strijd tegen doping.

De directeur is merkbaar trots op zijn lab, dat bestaat uit vier lokalen die nog het meest lijken op een practicum van een middelbare school. De eerste ruimte is voor de registratie en het klaarmaken van de te controleren stalen. In de volgende lokaliteit worden de instrumentele analyses gedaan en de derde is bedoeld voor onderzoek. Daar staat, achter glas, ook de nieuwste aanwinst: de massaspectrometer, door de laboranten tot Mathilda omgedoopt. Een noodzakelijke investering van 350.000 euro, omdat het antidopingagentschap WADA alle 35 geaccrediteerde labs daartoe per 1 januari 2011 heeft verplicht. Het apparaat herkent de zeven anabole steroïden die vanaf volgend jaar, naast bloed, deel uitmaken van het biomedische paspoort van sporters.

In de vierde en laatste ruimte wordt bloed geanalyseerd. Onder ‘toeziend oog’ van Tom Boonen, die met bebloede mond op een poster met de tekst We’re all cannibals staat afgebeeld. Ironie is de Gentse analisten niet vreemd.

De kwaliteit van het lab staat en valt bij betrouwbaarheid. Van Eenoo is er kien op en als test vraagt hij een flesje te openen waarin de urine van sporters bewaard wordt. Wie het handmatig lukt wordt door de fabrikant een miljoen euro beloofd. Onbegonnen werk, zo blijkt. Waarna Van Eenoo met zichtbaar genoegen het flesje met behulp van een bankschroef opent.

Belangrijk onderdeel van het dopinglab is de vriescel, waar momenteel zo’n tweeduizend urinemonster worden bewaard. In plastic kisten, voorzien van nummer en in een enkel geval van het opschrift ‘UEFA’. Onmiskenbaar de plas van een voetballer. Nog even en de cel is te klein. Dat kan ook moeilijk anders als een dopinglab verplicht is urine na een negatieve test drie maanden te bewaren, een positief monster één jaar en een aantal, op speciaal verzoek, zelfs acht jaar. Die laatste categorie betreft sporters die door nationale dopingagentschappen op grond van profielen als ‘verdacht’ worden aangemerkt. In Nederland betreft dat volgens Herman Ram, directeur van de Dopingautoriteit, enkele tientallen sporters.

De Dopingautoriteit Nederland is met de Belgische zusterorganisaties, de internationale wielerfederatie UCI, de Belgische wielerbond en de Europese voetbalbond UEFA de leverancier van het lab in Gent. In een ruimte van 600 vierkante meter van de Universiteit Gent, op het desolate Technologiepark Zwijnaarde, werken negentien mensen om jaarlijks zesduizend dopingmonsters te analyseren. En daarvan levert 4,5 tot 5 procent een positieve uitslag op.