Oorlogservaringen van J.D. Salinger

Een nieuwe biografie is verschenen van de schrijver Salinger: J.D. Salinger, A Life door Kenneth Slawenski, de eerste biografie na zijn dood in 2010. Ik heb het boek nog niet kunnen lezen en moet me baseren op de uitvoerige bespreking die de schrijver Jay McInerney er in The New York Times aan wijdde.

„J.D. Salinger besteedde eerst een derde van zijn leven om aandacht te krijgen en de rest om te verdwijnen”, vat McInerney het leven van Salinger aardig samen. Een heidense klus, zo’n biografie, want over grote delen van dit leven hangt een waas van geheimzinnigheid en bovendien mag de biograaf niet letterlijk citeren uit Salingers interessante brieven (een troost voor Nop Maas, de Reve-biograaf die nu ook door zo’n verbod – van Reves vriend Joop Schafthuizen – is getroffen).

McInerney is niet ondersteboven van het boek, hij bespeurt weinig onthullingen, al maakt hij wel een belangrijke uitzondering voor de oorlogsjaren van Salinger.

Daarover was dankzij andere biografische boeken weliswaar het een en ander bekend, maar Slawenski zou er nog interessante bijzonderheden aan toevoegen.

Hij beschrijft gedetailleerd welke slachtingen Salinger als jonge soldaat in de jaren veertig in Europa meemaakte en vertelt dat hij ook deelnam aan de bevrijding van Dachau in 1945.

„Hoe lang je ook nog leeft”, zei hij tegen zijn dochter, „je raakt in je neus nooit helemaal de geur van brandend vlees kwijt.”

Toen hij op 6 juni 1944 aanD-Day deelnam, was Salinger nog maar een beginnend schrijver – zijn meesterwerk Catcher in the Rye zou pas in 1951 uitkomen. Wat zo opvalt aan zijn oeuvre is dat hij zelden rechtstreeks over zijn ervaringen aan het front geschreven heeft.

Het verhaal A Boy in France, horend tot zijn nooit gebundelde verhalen, komt het dichtst in de buurt.

Een jonge Amerikaanse soldaat is op zoek naar een schuttersput waarin hij kan slapen. Hij moet genoegen nemen met een put waarin smerige sporen liggen van een doodgeschoten Duitse soldaat. Hij hallucineert enigszins en wordt ten slotte op Salingeriaanse wijze vertederd door een bewaard briefje van zijn zusje Matilda, die in een postscriptum schrijft: „Can I go to Canada with you next time you go? I won’t talk much en I’ll light your cigarettes for you without really smoking them.”

Er zijn nauwelijks Amerikaanse schrijvers met meer militaire ervaring dan Salinger, schrijft McInerney. Waarom schreef hij er dan toch zo weinig over? Volgens Slawenski blijkt juist daaruit dat Salinger lange tijd moet hebben geleden aan een posttraumatische stressstoornis, een ernstige psychische aandoening, niet te verwarren met het normale verwerkingspatroon van een trauma.

Een aannemelijke theorie, temeer omdat al bekend was dat Salinger kort na de bevrijding van Parijs een zenuwinstorting kreeg. „Ik ben in een bijna permanente staat van vertwijfeling”, schreef hij aan Hemingway.

Misschien zullen toekomstige biografen nog een stap verder gaan en concluderen dat Salingers keuze, vanaf de jaren vijftig, voor de Indiase mystiek en het kluizenaarsbestaan ook een uitvloeisel was van zijn bittere oorlogservaringen.

Hij had het wel gehad met de wereld. Gaf hem maar een huisje in de bossen en af en toe een relatie met een liefst piepjonge vrouw – meer had hij niet nodig.