Olaf

Een paar dagen geleden liep ik in een café langs een jongen die me zo onderzoekend aankeek dat ik stilhield, waarop hij vroeg: „Renske?” Op mijn aarzelende knik lachte hij en riep: „Olaf! Weet je nog?” Toen herkende ik hem. Zijn ooit wat mollige lijf was nu groot en hoekig als dat van een rugbyspeler, zijn haar was korter en het gouden ringetje was uit zijn oorlel verdwenen, maar de grootste verandering zat in zijn blik: open, taxerend. Misschien zelfs wel een beetje macho.

Olaf en ik hadden in dezelfde brugklas gezeten. De middelbare school betekende voor mij een nieuwe kans op een klas waarin ik vrienden kon maken. Al snel werd duidelijk dat dit niet makkelijk ging worden: klas 1d bestond uit een rumoerige groep, die koelbloedig en al kauwgum kauwend geregeerd werd door twee meisjes die een jaar waren blijven zitten. Ze rookten, droegen versleten spijkerjasjes en hun komst werd immer ingeluid door het verontwaardigde gerinkel van enorme oorbellen. Ze waren knap – de een zelfs met goddelijk, oranjerood haar – en ronduit angstaanjagend.

De meisjes bleken mij niet interessant te vinden. Zij richtten hun pijlen liever op Olaf, een mollige jongen met een oorbelletje, die in zijn pubergroeispurten-onhandigheid steeds tegen tafeltjes aanstootte. „Sommige sukkels weten dat ze sukkels zijn”, zeiden de meisjes over Olaf. „Anderen beseffen het niet eens. Dat is pas echt irritant.”

Hun gedoogbeleid ten opzichte van mij veranderde plotseling toen ze in een grote pauze vroegen of ik mee wilde wandelen door het park. Opgelaten liep ik met hen en nog wat anderen over de grindpaden, en op het moment dat we langs de speeltuin kwamen zag ik daar iemand zitten: het was Olaf. Hij was verdiept in een boek, naast hem stond een eierwekker. De rest had hem nog niet gezien. En toen zei ik het: „Hee, jongens, kijk eens wie daar zit?” Verscholen in de groep lachte ik mee, terwijl we honend langs hem liepen.

Het verwarrende was: toen ik Olaf daar in de speeltuin zag lezen, vond ik hem zo oneindig kwetsbaar, dat het iets wreeds in me losmaakte. Ik koos voor de groep, juist omdat ik eigenlijk bij hem hoorde. Bij de boekenlezers die ergens gaan zitten en zo in een verhaal kunnen opgaan dat ze een eierwekker nodig hebben om weer wakker gemaakt te worden.

Die avond belde ik Olaf op om mijn excuses aan te bieden. Hij vond het fijn dat ik belde en hij vergaf het me meteen.

Een half jaar later ging iedereen naar een nieuwe klas, Olaf naar een andere dan ik. Daarna ben ik hem uit het oog verloren. En nu stonden we tegenover elkaar. Inmiddels zat hij bij het corps, studeerde medicijnen en had een vriendin. Zijn stem was luid, zijn gebaren groot en hij lachte met gulzige, harde spot. Het ging goed met hem.

Toch was ik ook blij dat ik de Olaf met het boek en de eierwekker heb gekend.

Renske de Greef