Hotsebotsen

E en paar dagen voor de Omloop Het Nieuwsblad sprak ik in de kantine van een Brusselse televisiestudio met Jean Bogaerts, in 1945 de eerste winnaar van de wedstrijd die toen, naar de organiserende krant, Omloop Het Volk werd gedoopt. Ik wist niets van die man, maar daar kwam snel verandering in. Bogaerts mocht dan 86 zijn, in zijn kop was alles nog zo helder als het water in een goudvissenkom. Een rechte rug, jongensachtige, zo niet ondeugende oogopslag. Niet dat hij er iets over zei, maar het leek me zo’n knakker die nog wel een vrouw of drie aankon.

Het was me eerder opgevallen bij Nederlandse renners van die generatie dat ze tot op hoge leeftijd vitaal bleven. Vaak tot op het onvermijdelijke kantelpunt. Sterke mensen moeten het geweest zijn. Honderden keren gestorven op de fiets, even zo vaak weer opgestaan. Zij waren, zoals dat heet, voor geen kleintje vervaard.

Een gehoorapparaat had hij ook nog niet in, Bogaerts. Maar een mud verhalen zaten er in dat hoofd van hem. En die wilden er allemaal uit. Trainen? Dat deed hij maar een keer in de week. „Maar dan wel goed, hè.” Hotsebotsen over de kasseien. Asfalt was er trouwens niet.

Hij had besloten om de Omloop Het Volk te gaan winnen. Het zou zijn eerste koers zijn tussen de echte kleppers. Hij kon ze hebben, allemaal, ook al was hij nog maar net twintig. Dus fietste hij de avond ervoor naar Gent, nam een hotelletje, en klopte de volgende dag de grote Rik van Steenbergen met lengten.

Tijdens de koers was Van Steenbergen langs hem komen rijden. „D’r zit niks in uw zakken, moet ge niet eten?” Nee, hij hoefde niet te eten. Waarom zou hij ook. Hij was vertrokken met twee bidons op zijn fiets. Daarin zat alles wat een coureur „van doen” had: per bidon twintig eierdooiers, een paar ons suiker, en een flinke scheut cognac. Goed schudden, klaar.

Jean Bogaerts moet of een leren maag hebben gehad, of de salmonellabacterie bestond nog niet. Hoe dan ook, bij dit deel van het betoog vluchtte ik even naar het toilet. Ik voelde twintig lauwe eierdooiers door mijn slokdarm zakken.

Tijdens de Ronde van Limburg brak de helft van zijn stuur af. Het losse stuk smeet hij niet in de kant. Later zou hij wel het door een smid laten lassen. In de kopgroep van zeven sloeg hij, met één hand sturend, geen kopbeurt over. Van de fietswissel in de finale had hij nog altijd spijt. Op de transportfiets, weggegrist bij een beenhouwerij, waren zijn overwinningskansen natuurlijk drastisch geslonken.

Terwijl Bogaerts sprak jongleerde hij met het kunstgebit in zijn mond. Ik dorst hem al niet meer vragen naar zijn standpunt inzake de decadente ‘oortjes’ van deze tijd.