Het obstakel van de Arabische staat

Staat de Arabische wereld na de serie politieke omwentelingen nu ook aan de vooravond van een economische renaissance? Het ontketenen van een jonge hoog opgeleide klasse in een maatschappij die tot dusverre werd geplaagd door nepotisme, corruptie, economische stagnatie en staatsbemoeienis, kan heel wat teweegbrengen. Al was het maar vanwege het potentieel dat loskomt als vrouwen een grotere economische rol mogen spelen.

Stel dat de economie van de grootste democratie van de regio, Turkije, als een voorbeeld geldt voor de Arabische landen met weinig olie. In dat geval kan het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking (gecorrigeerd voor de plaatselijke koopkracht) in Jordanië met 145 procent omhoog, in Marokko met 191 procent en in Algerije met 95 procent. Om het Turkse gemiddelde te bereiken moet het inkomen per inwoner in Egypte met 118 procent groeien, in Jemen maar liefst 435 procent.

Maar het huwelijk van politieke vrijheid en welvaart is ongewis. De overtuiging dat de twee met elkaar samenhangen is van oudsher een hoeksteen van het buitenlandbeleid van het Westen, en dan met name de Verenigde Staten. De premisse: waar de welvaart groeit, ontstaat via een zwellende middenklasse vanzelf de roep om politieke zeggenschap. Of andersom: waar democratie wortel schiet, leidt de persoonlijke vrijheid vanzelf tot een vorm van marktkapitalisme.

Zo voor de hand liggend als het verband lijkt, is het niet. Er zijn andere, bestendige modellen denkbaar. De opstand op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 werd in het Westen gezien als een even welkome als vanzelfsprekende ontwikkeling. Natuurlijk zou de beter opgeleide jonge middenklasse opstaan, dat was een kwestie van tijd. Maar Singapore koppelde sinds het begin van de jaren zestig al succesvol een relatief grote politieke onvrijheid aan een bloeiend welvaartsmodel. Ook China hanteert 22 jaar na de opstand een combinatie van grote economische vrijheid met een politieke dictatuur. Dat model lijkt vooralsnog stabiel.

De rol van de staat zit het westerse droommodel hier in de weg. En het is dan ook vooral de aard van de overheid die de grootste uitdaging vormt voor de verdere economische en persoonlijke ontwikkeling van de bewoners van de Arabische regio. In 2002 werd het eerste Arab Human Development Report van de Verenigde Naties gepresenteerd. Dat doorbrak destijds het taboe op zelfkritiek dat de staten in de regio doorgaans plaagt. De jongste uitgave van het rapport over 2009 bleek zelfs profetisch.

„De trend in de regio”, zo staat er, „is geweest dat de veiligheid van de staat belangrijker was dan de veiligheid van de inwoners.” Het resultaat, om het rapport verder te citeren, is een gevoel van beperkte mogelijkheden en persoonlijke onzekerheid, dat zichtbaar is in de hoogste werkloosheid ter wereld, een ingesleten en hardnekkig patroon van uitsluiting „en uiteindelijk een sterke roep om hervormingen”. Inderdaad, zo gaat het rapport verder, het nastreven van staatsveiligheid zonder aandacht voor persoonlijke veiligheid heeft een suboptimaal resultaat gehad voor zowel de staat als de burger. „Een overheid die alleen haar eigen veiligheid nastreeft en die van zijn burgers negeert, bereikt uiteindelijk geen van beide.”

Waarvan akte. Dat betekent dat het veranderen van het doel van de Arabische staat, in de richting van zorg voor haar burgers, de grootste uitdaging wordt. En die staat kan nog behoorlijk weerbarstig blijken.

Maarten Schinkel