De geschiedenis is nu echt verleden tijd

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: het einde van de geschiedenis betekent nog niet het einde van het bestaan.

Mijn bijdrage aan de Arabische lente heeft in ieder geval niets uitgehaald. In oktober vorig jaar was ik in Zuid-Egypte en ontmoette daar Eslam, een intelligente, welgestelde jongen uit Aswan. We dineerden op stand bij McDonald’s en bevriendden elkaar op Facebook. Toen de revolutie haar tweede week inging en de uitkomst onzeker was, stuurde ik hem een bericht waarin ik hem sterkte wenste bij de opstand. Na verzending leunde ik achterover en voelde me een beetje nobel. Onmiddellijk kreeg ik een bericht terug: „We love Mubarak and we are very angry about what happens now.”

Als Eslam het autocratisch regime verdedigd zou hebben toen ik hem ontmoette, had hij het beeld bevestigd dat het Westen al decennia van de Arabische wereld heeft: een grote, loden sarcofaag waar de islam democratie ondenkbaar maakt en mensenrechten bespot worden als buitenlandse bemoeienis.

Nu lijkt Eslam, die met zijn goede baan en de juiste connecties belang had bij Mubaraks heerschappij, plotseling geïsoleerd te staan. We weten nu dat meer Egyptenaren ook zulke kansen willen, en we weten nu hoe de revolutionairen dit willen bereiken: met democratie. En wie democratie zegt, zegt Francis Fukuyama (1952), de onterecht verguisde denker over de minst rampzalige aller staatsvormen.

Sinds de Tweede Wereldoorlog neemt het aantal democratieën alleen maar toe, constateert Fukuyama in zijn beroemde essay The End of History? dat in de zomer van 1989, vlak voor de val van de Muur, in The National Interest verschijnt. Hij wijst naar naar landen als Spanje, Portugal, India en Japan, maar ook vrijwel heel Zuid-Amerika. In zijn boek The End of History and the Last Man, dat drie jaar later gepubliceerd wordt, is het voorzichtige vraagteken uit de titel verdwenen: de muur is gevallen en het communisme – volgens Fukuyama de laatste echte rivaal van de liberale democratie – is niet alleen theoretisch maar ook door de werkelijkheid weerlegd.

Er bestaan nog wel landen die strikt communistisch zijn, zoals Cuba en Noord-Korea, maar ze hebben niet meer het charisma dat de Sovjet-Unie wel lange tijd bezat en waar intelligente Westerse fellowtravellers als Jean-Paul Sartre en Ernest Hemingway.

Omdat The End of History net als de meeste klassiekers niet gelezen wordt, is de titel van zijn werk het brandpunt van spot geworden. Fukuyama’s these dat de geschiedenis ten einde is gekomen, wordt vaak begrepen als het einde van de grote gebeurtenissen. De aanslagen op de Twin Towers of de invasie van Afghanistan en Irak werden aangegrepen om bijna triomfantelijk de „hervatting van de geschiedenis” uit te roepen.

Toch doelt Fukuyama op een heel andere geschiedenis, namelijk die van de concurrerende staatsinrichtingen: monarchie, fascisme, communisme, anarchisme en de liberale democratie. Zo bezien is er het afgelopen vierhonderd jaar inderdaad een afvalrace gaande. Monarchieën zijn vanaf de Franse revolutie tot de Eerste Wereldoorlog verdwenen of gaandeweg vervangen door een constitutionele variant (zoals het Nederlandse koningshuis); het anarchisme is begin twintigste eeuw roemloos ten onder gegaan; het fascisme is verslagen door de geallieerden in de Tweede Oorlog en de val van de Muur in 1989 bezegelde ten slotte het lot van het communisme. Wat overblijft als enige ideologie die een grote aantrekkingskracht heeft op de meeste mensen – hoewel de uitvoering vaak te wensen overlaat – is de liberale democratie.

Ergo: The End of History.

Of toch niet? Vreemd genoeg bleek het Midden-Oosten niet bevattelijk voor deze koortsige democratisering van de twintigste eeuw. Zou het een ander soort mensen zijn, vroegen we ons af in het Westen. Moesten ze niets hebben van vrijheid en inspraak? Zouden dit westerse waarden zijn die niet te exporteren zijn, die niet passen bij de islam, zoals Geert Wilders beweert?

Fukuyama moest hier niets van hebben: hij achtte het ‘bijzonder ongeloofwaardig’ dat het de islam was die Arabische democratisering tegenhield want, stelt hij, religieuze doctrines worden door nieuwe generaties steeds anders geïnterpreteerd. Dit moet ook wel, omdat de verstarde kerkelijke doctrines van de Middeleeuwen anders nooit tot de Renaissance en de Verlichting hadden geleid. De nieuwe generatie Arabische Facebookrevolutionairen lijkt Fukuyama’s these inderdaad te bevestigen. De jeugd gedraagt zich religieuzer dan ooit – alleen op de Egyptische staatstelevisie kan je nog vrouwen zonder hoofddoekjes zien – maar dulden het niet meer om in naam van de islam of paternalisme onderdrukt te worden.

Nu na Tunesië en Egypte ook in Libië, Bahrein, Jemen, Algerije, Jordanië, Djibouti en Iran geprotesteerd wordt, lijkt de ‘Arabische democratische exceptie’ verleden tijd: de nieuwe generatie heeft vrijheid geproefd en wil deze verenigen met hun religie – eigenlijk net als de religieuze Amerikanen al meer dan driehonderd jaar doen.

Hoe kan deze populariteit van de liberale democratie dan verklaard worden? Enerzijds door de kansen die de vrije markt biedt – de zelfmoord van Mohamed Bouazizi die door corrupte agenten zijn stalletje niet meer kon uitbaten, ontketende zelfs de Tunesische revolutie – en de welvaart die dit meestal oplevert. Hoewel veel mensen al tevreden zullen zijn wanneer hun brood en spelen op dergelijke wijze verzekerd zijn, of hoop hebben dat dit gebeurt in de toekomst – zie bijvoorbeeld China –, zullen sommige hoogopgeleiden alles in het werk stellen om ook door hun overheid erkend te worden.

Revoluties ontkiemen niet voor niets vaak binnen universiteitsmuren: dictators hebben in het verleden niets zo fel bestreden als de eigenwijze intelligentsia. Deze drang tot erkenning, het gevoel van trots, kan soms heviger zijn dan materiële verlangens of zelfs angst voor de dood.

Fukuyama, die meent dat dit een universeel menselijke passie is, haalt Plato’s Bestel aan, die deze drang ‘thymos’ noemt: „En neem iemand die gelooft dat hij slecht behandeld is. Zo iemand kookt toch van woede en vecht aan wat volgens hem de goede kant is mee? Ondanks honger, kou al dat soort ellende houdt hij vol tot de overwinning. Hij geeft zijn edele pogingen niet op eer hij zijn doel bereikt, afsterft, of hij door het gezond verstand in hem wordt teruggeroepen gekalmeerd, als een hond door de herder.”

Dit is precies wat we gezien hebben op het Tahrirplein: honderdduizenden Egyptenaren riskeerden hun leven door vrijheid te eisen, omdat ze zich niet konden uiten, zonder proces werden opgesloten, smeergeld moesten betalen, geen zicht hadden op een baan zonder de juiste connecties; ze protesteerden omdat ze slecht behandeld werden.

In Fukuyama’s terminologie: hun thymos werd gekrenkt. Daar kwam nog eens bij dat er van eerlijk ondernemerschap ook weinig terecht kwam onder Mubarak: alle productie was in handen van een kleine kliek die van staatswege beschermd werd. Repressie én armoede vormden dus de dubbele aanleiding voor deze revolutie: religie speelde vrijwel geen rol, omdat dit nu juist de waarde is die gedeeld wordt door alle Egyptenaren.

De goed georganiseerde Moslimbroeders hielpen deze revolutie weliswaar, maar eisten samen met de verzamelde massa op het Tahrirplein vrijheid en gelijke kansen, niet méér islam of strengere shari’a-wetten. Een Moslimbroeder merkte op dat ze „vrijheid omarmden, niet als een buitenlands concept, maar als een pijler van onze religie”. Het begint erop te lijken dat de nieuwe generatie moslims tóch mensen zijn.

Pepijn Vloemans (26) studeerde filosofie en internationaal milieurecht in Amsterdam, Leuven en Nottingham.