China mikt op trager groeitempo om onrust te voorkomen

China neemt de onrust in Libië en Egypte uiterst serieus. In een online chatsessie dit weekeinde heeft premier Wen Jiabao te kennen gegeven dat het land bereid moet zijn langzamer en eerlijker te groeien. De doelstelling voor de groei van het bruto binnenlands product (bbp) zal dalen van 7,5 naar 7 procent. Voor een economie die gewend is geraakt aan een groei van 10 procent kan een trager tempo nieuwe uitdagingen met zich meebrengen.

De bespiegelingen over groei die ‘inclusiever’ en schoner is, lijken te zijn bedoeld om mogelijke protesten van Chinese burgers in de kiem te smoren. De inkomensongelijkheid en de vervuiling zorgen voor spanningen. De snelle groei van China heeft de eigenaren van de productiemiddelen meer opgeleverd dan de arbeiders. De milieuschade is genegeerd in naam van de ontwikkeling.

Toch is het makkelijker gezegd dan gedaan om de Chinese groei in te tomen. Velen in China geloven dat een snelle economische groei noodzakelijk is voor de stabiliteit. Volgens officiële cijfers trekken de Chinese steden ieder jaar tien miljoen nieuwe arbeiders aan. China heeft sinds 1990 jaarlijks meer dan acht miljoen nieuwe arbeidsplaatsen geschapen. Maar die banenmachine kwam stil te staan op momenten dat de groei van het Chinese bbp onder de 9 procent uitkwam.

De hoge groei zorgt ervoor dat ook minder winstgevende bedrijven blijven bestaan. Dat drukt de gemiddelde productiviteit van Chinese bedrijven. Zelfs tijdens de bloei van 2007, toen grote industriële firma’s hun productie met 28 procent zagen stijgen, bedroeg de bruto winstmarge slechts 7,4 procent, aldus officiële cijfers. De snelle industriële ontwikkeling verbloemt de gevolgen van de overcapaciteit op het gebied van cement, chemicaliën en nieuwe bedrijfstakken als windenergie.

Een lagere groei zou ook op een andere manier tot een hogere werkloosheid kunnen leiden: door de bloeiende privésector in China te straffen. Banken lenen liever aan grote staatsbedrijven, omdat die impliciete steun van de staat genieten. Als Peking de banken vraagt minder kredieten te verstrekken, kunnen particuliere ondernemingen daarvan als eerste de klos zijn. Maar privébedrijven zijn over het algemeen arbeidsintensiever.

Dit alles zou een academische discussie kunnen zijn. Het cijfer van 7 procent is op z’n best een bodem en niet zozeer een doelstelling. De gemiddelde bbp-groei van China tussen 2005 en 2010 was 11,2 procent, ook al was de officiële doelstelling 7,5 procent. De verwoede pogingen van de autoriteiten om in 2008 een groei van 8 procent te bewerkstelligen duidden erop dat dit het echte minimum zou kunnen zijn voor het behoud van de sociale stabiliteit.

Op de langere termijn zou China beslist profiteren van een tragere en eerlijker groei. Maar het proces van het herzien van het huidige groeimodel is lastig genoeg. Voor het varen van een koers tussen werkloosheid aan de ene kant, en vervuiling en ongelijkheid aan de andere, moet China meer doen dan een nieuw streefcijfer voor het bbp bedenken.

Wei Gu

Vertaling Menno Grootveld