Advies van meester en juf telt straks zwaarder

Het cliché wil dat het Nederlandse onderwijs niet selectief genoeg is en dat kinderen daarom te lang kunnen voortdobberen zonder dat er serieuze eisen aan hen worden gesteld.

Dat mag zo zijn in het voortgezet en hoger onderwijs. Maar op de basisschool niet. Daar worden kinderen van amper twaalf jaar oud juist aan een beslissende selectiemethode onderworpen: de Citotoets. Deze test is voor leerlingen in groep 8 een tweesprong: op naar havo/vwo of richting vmbo.

Die ene of andere weg kan cruciaal zijn in een maatschappij waarin de helft van de bevolking straks geacht wordt een hogere opleiding te hebben afgerond. Ouders, onderwijzers, directies en ook kinderen hechten daarom zoveel waarde aan de uitslag.

Minister Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) wil de Citotoets voor het basisonderwijs verplicht gaan stellen. De toets zal dan bovendien later in het schooljaar worden afgenomen: niet meer begin februari, zoals nu, maar tussen medio april en mei. Weliswaar heeft een experiment niet aangetoond dat de Citotoets een paar maanden later betere resultaten oplevert, maar Van Bijsterveldt kiest voor één lijn. Ze denkt dat de basisscholen dan meer tijd krijgen om tot het laatst onderwijs te bieden. Dat zou vooral voor kinderen met leerachterstanden nuttig zijn. Elke les extra is zinvol.

De uniformering waar de minister voor kiest, heeft wel iets paradoxaals.

Eén van de consequenties van een voor iedereen verplichte toets op een later tijdstip is namelijk dat de uitslag ervan minder belangrijk wordt voor de schoolkeuze in het voortgezet onderwijs en dat het advies van de onderwijzers, die al die jaren met de kinderen hebben gewerkt, juist meer gewicht krijgt.

Dat is een zinvolle correctie. Het geloof in de onfeilbaarheid van de Citotoets (naar analogie van het gezegde ‘meten is weten’) was te ver doorgeschoten en ging eraan voorbij dat de ontwikkelingsfasen van kinderen niet op de maand nauwkeurig parallel lopen. Het idee van de Onderwijsraad om kinderen rond hun veertiende, tegen het einde van de tweede klas in het voortgezet onderwijs, aan een ‘diagnostische’ toets te onderwerpen, is een nuttiger aanvulling in het selectiemechanisme.

Een andere paradox is dat de verplichting voor alle scholen de Citotoets af te nemen, op gespannen voet staat met de vrijheid van onderwijs. Circa een op de zeven scholen doet om onderwijskundige redenen niet mee. Niet alleen levensbeschouwelijke maar ook Jenaplanscholen maken aanspraak op die vrijheid.

Hoe dan ook is het goed als twaalfjarige kinderen niet langs één meetlat worden gelegd. Uiteindelijk weten onderwijzers misschien meer dan een toetsinstituut.