Wie tegen polarisatie stemt, polariseert die zelf niet mee?

De inzet van de kiezer bij de Statenverkiezingen morgen is simpel: je wilt dat het kabinet een meerderheid haalt of niet.

In elk geval valt de opkomst daardoor waarschijnlijk mee.

Het is erop of eronder bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten, morgen. Opiniepeilers weten het ook niet. Want dat ene zeteltje waarmee zij het huidige rechtse kabinet wel of geen meerderheid laten halen in de Eerste Kamer, ligt binnen de margin of error, ofwel: de statistische onzekerheidsmarge.

Aparte gewaarwording voor menige kiezer is dat strategisch stemmen even niets betekent. Er komt immers geen ingewikkeld formatieproces. De kiezer heeft slechts twee mogelijkheden: het kabinet haalt het, of niet. Dat maakt de zaak overzichtelijk. De ‘penduledemocratie’ waar PvdA’er Ed van Thijn begin jaren zeventig voor pleitte, lijkt nu werkelijkheid. Althans, voor deze verkiezingen.

Bij die duidelijkheid komt dezelfde felheid kijken als in de jaren van Van Thijns pleidooi. Niet alleen politici van beide kampen bestrijden elkaar in stevige woorden, ook rechtse en linkse kiezers veroordelen elkaars politieke voorkeur. Kees Aarts, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Twente, concludeert uit uitvoerig en decennialang kiezersonderzoek dat de opvattingen onder stemgerechtigde Nederlanders in toenemende mate uiteenlopen. „Er zijn meer uitersten. Dat geldt voor sociaal-economische verdelingsvraagstukken, maar ook voor de tegenstelling progressief-conservatief.” En even belangrijk, zegt Aarts: mensen herkennen ook duidelijker verschillen tussen partijen dan voorheen.

De toenemende polarisering onder het kiezersvolk zou tot gevolg moeten hebben dat de opkomst morgen hoger is dan vier jaar geleden, bij de vorige Statenverkiezing. Toch rekenen opiniepeilers daar niet op. „Maar dat weerlegt het idee van een toenemende polarisatie niet”, zegt Peter Kanne, onderzoeker van TNS NIPO. Kanne ziet twee tegengestelde ontwikkelingen. „Omdat het provinciebestuur mensen steeds meer koud laat, neemt het opkomstpercentage al sinds het verdwijnen van de opkomstplicht af. Tegelijk zie je de mobiliserende kracht van de heldere vraag die voorligt in deze verkiezing: het is een soort referendum over het kabinet.” Met andere woorden: zonder de huidige polarisatie was de opkomst opnieuw lager geweest dan vier jaar geleden. Nu niet.

Het hoge woord is eruit: polarisatie. Tegelijk is het vreemde dat veel kiezers daar juist tegen zijn. Ze zijn tegen tweespalt en strijd. Zij stemmen op politici die ‘bruggen bouwen’ en de ‘boel bij elkaar houden’. Tegelijk, zo merkte minister Piet Hein Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) onlangs op, verwijten juist deze verzoeners zijn partij zaken te doen met de PVV. Inconsequent, meent Donner: „Wie tegen polarisatie en buitensluiting wil vechten, moet vooral niet zelf polariseren en buitensluiten.” Hij vindt dat tegenstanders van samenwerking met de PVV die partij niet mogen verwijten „mensen uit te sluiten”. Want doen ze dat niet zelf?

Een weinig zinvolle redenering, want een burger kan natuurlijk voor verzoenende politiek zijn, maar tegelijk een grens trekken. Bijvoorbeeld voor een politieke partij die zeven internationale richtlijnen en verdragen wil aanpassen om immigratie tegen te gaan. Relevant is wel de vraag die schrijver Arnon Grunberg opwierp in reactie op Donner: „Hoe kun je vechten tegen polarisatie?” Want ja, wie vecht, polariseert.

En misschien is dat helemaal niet zo slecht. De van oorsprong Amerikaanse socioloog James Kennedy maakte in 2006 een glasheldere analyse. Nederland is zo op consensus gericht, schreef hij, dat de hele samenleving tegelijk van mening verandert om opnieuw een en dezelfde opvatting te huldigen. Hij gaf de omgang met de multiculturele samenleving als voorbeeld. Eerst vond de hele politiek, van links naar rechts, dat integratie met behoud van identiteit een goed idee is. Na enkele felle debatten en twee politieke moorden vindt niet één politieke partij dat nog. Wat zegt dat over de integriteit van hen die het vorige standpunt huldigden, vraagt Kennedy zich af.

Kennedy ziet in zulke abrupte omwentelingen een gevaar en prees in zijn analyse voorzichtig de loopgraven die al decennia horen bij de Amerikaanse politiek. Daarin staat hij niet meer alleen. Zo wil de baas van de Publieke Omroep dat de verschillende actualiteitenprogramma’s een scherper politiek profiel krijgen. Bovendien biedt de helderheid van deze verkiezingen ook veel moois. En spanning. Want polarisatie zet een opmerkelijke politieke wetmatigheid in beweging: de twee kampen die tegenover elkaar staan, krijgen als vanzelf ongeveer dezelfde omvang in aanhangers. Wie herinnert zich niet de zinderende Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2000? Het Hooggerechtshof moest een winnaar aanwijzen.

Toch laat Amerika ook een keerzijde zien. De polarisatie is daar zover doorgedrongen dat Republikeinen en Democraten niet alleen andere kranten lezen, maar ook nauwelijks meer naar televisieomroepen kijken of naar radiostations luisteren die niet hun eigen mening bevestigen. Eind jaren tachtig waarschuwde de inmiddels overleden senator Patrick Moynihan al voor het gevaar hiervan. Hij zei: „Iedereen heeft recht op zijn eigen mening, maar niet op zijn eigen feiten.”