Verkiezingstaal: het werkt niet dus stop er maar mee

Waarom staan al die mensen op verkiezingsposters? We kennen ze niet.

En dan al die verkiezingsslogans: nietszeggender kan toch niet?

De politiek is ‘in crisis’, hoor je vaak. Wat is daarmee eigenlijk gezegd? Wat is die crisis – een tijdelijke storing of het begin van het einde? Wat wij onder ‘de politiek’ verstaan, bestaat pas sinds de Verlichting, dus ja, waarom zou het op een dag niet verdwijnen? Het is maar een systeem.

Politiek is ‘de beheersing van het noodlot’, werd toen gedacht. Heeft ze die belofte wel waargemaakt, of hebben we tegenwoordig betere manieren om het noodlot te beheersen? De Britse socioloog Frank Furedi denkt van wel. De politiek heeft zichzelf volgens hem overbodig gemaakt, uitgeput. Political exhaustion noemt hij het, in zijn boek Politics of Fear. Vraag mensen het verschil tussen de ene en de andere politieke partij en ze beginnen over waarden, smaak en lifestyle.

Als je dezer dagen door het land rijdt, moet je Furedi haast wel gelijk geven. Je ziet overal verkiezingsposters. Op de meeste daarvan staat een gezicht van een onbekende, alsof aandacht wordt gevraagd voor een vermissing. „Hebt u deze Provinciale Staten-kandidaat gezien?”

Wat zou er gebeuren als je al die gezichten op al die borden langs een N-zoveel zou losknippen en zou voorleggen aan een proefpanel? Wat hebben deze mensen gemeen?

„Eh, zijn het singles?”

Als niemand deze mensen kent, waarom worden ze dan afgebeeld – om te bewijzen dat ze bestaan, misschien? „Wij zeggen niet alleen dat wij een kandidaat hebben, maar wij bewijzen het ook!”

Nette, redelijke, aangepaste, normale gezichten zijn het, saaie, brave, gemiddelde gezichten. Het is alsof je bladert door de Wehkamp-catalogus. De core competence van een moderne politicus is hoe je moet kijken.

Of wordt aan hun voorkomen een wervende kracht toegeschreven? „In dit hoofd zitten goede ideeën. Dat ziet u toch?” Onderzoek wijst trouwens uit dat die koppen niet werken, maar het is blijkbaar moeilijk om iets anders te verzinnen.

Met de taal lukt het ook niet zo. Neem de ChristenUnie, die tot voor kort de slagzin ‘Stabiel en betrokken’ had. Nu is het ‘Uit overtuiging.’ Na twee verkiezingen weten wij dus dat de ChristenUnie ‘betrokken’ is en ‘uit overtuiging’ handelt, ofwel een politieke partij is. Ik ben benieuwd wat de volgende CU-slogan wordt – ‘Met ideeën’, misschien?

Het CDA zegt domweg ‘Hoe meer CDA, hoe beter.’ Echt waar? Joh!

De strijdkreet waarmee D66 op de kiezersgunst jaagt, luidt: ‘Het kan verstandiger.’ Het enige beeld dat die woorden bij mij oproepen, is een bedachtzame familiejurist achter een groot bureau, die zijn bedenkingen heeft bij een erfenisconstructie. Niet dat dit kabinet onverstandig is, dat zullen wij D66 niet horen zeggen, maar het zou, in alle redelijkheid, ietsje verstandiger kunnen. Stop de persen! Zeg dan gewoon ‘verstandig’. Dan beweer je tenminste iets.

Bij de PvdA zie je hetzelfde.‘Het moet eerlijker’, zegt zij. Het beleid van Rutte is dus wel eerlijk, maar niet eerlijk genoeg.

Juist die overtreffende trap maakt het tot een leus van niks.‘Moeten’ lijkt op het eerste gezicht misschien krachtiger dan ‘kunnen’, maar is dat zo? Wanneer zeg je dat iets moet? Als de kans bestaat dat mensen doen wat je zegt, als je de baas bent. Iemand zonder macht die toch aanwijzingen geeft, wordt uitgelachen. Het is de machteloze retoriek van een bestuurderspartij aan de zijlijn.

‘Eerlijk’, wat moeten we daarmee? ‘Rechtvaardig’ wordt blijkbaar te ouderwets gevonden, net als ‘solidair’ – ook zo’n woord dat links heeft afgedankt. Op de PvdA-posters staat ook ‘Met rechts betaalt u de rekening’. Dat is een handige formulering. Ik dacht aanvankelijk dat het een poster van een coalitiepartij was, temeer omdat de PvdA ook de rode roos al met pensioen heeft gestuurd.

Ook GroenLinks heeft geen onderscheidend thema kunnen vinden en beperkt zich dus maar tot een algemeen advies: ‘Kies voor de toekomst.’ Voor het verleden hoef je niet meer te kiezen, dus eigenlijk staat daar: ‘Kies’. Tja, ‘Kies ons’ was dan misschien beter geweest.

Zo probeert de politiek dingen te zeggen zonder ze te zeggen, precies zoals Furedi beschrijft. Niet voor niets kom je het woord ‘anders’ zo vaak tegen in de moderne politiek – dat woord waarop modeontwerpers en marketeers zo dol zijn. ‘Anders. Ja.’, zegt D66. ‘Een ander NL’, luidde de slogan op een manifestatie van links.

‘Anders. Ja.’ – als H&M het als slagzin zou lanceren, zou je niet opkijken, maar als de bolsjewisten ermee de straat op waren gegaan, zouden ze dan veel hebben bereikt?

Jan Kuitenbrouwer is journalist. Hij schreef onder meer ‘De woorden van Wilders en hoe ze werken’.