Vergiftigde zij haar man echt?

Onder haar pseudoniem Johanna van Woude propageerde ze het huwelijk.

Zelf werd zij er echter van beschuldigd haar man te hebben vergiftigd.

In de literaire Top-100 van het tijdschrift De Nederlandsche Spectator van 1892 prijkt op nummer 10 (na namen als Hildebrand, Multatuli, Frederik van Eeden en Couperus) het boek Hollandsch Binnenhuisje van de schrijfster Johanna van Woude. Het boek was in 1888 verschenen en werd een bestseller – het zou in veertig jaar niet minder dan zestien drukken beleven. Vooruitstrevend kon men dit boek niet vinden. Van Woude (pseudoniem van Sophie van Wermeskerken-Junius) propageerde het huwelijk als ideale bestemming voor de vrouw. Het werd haar door de feministen van die tijd niet in dank afgenomen. Dezelfde boodschap droeg ze uit in het weekblad voor jonge dames De Hollandsche Lelie (de tegenwoordige Viva), waar ze redacteur van was. „Meisjes, haalt u geen ongelukkige liefde in het hoofd. Dat zou ten gevolge kunnen hebben dat ge niet trouwdet, en niets is ongelukkiger dan een meisje dat niet trouwt. Wanneer dus een braaf jong mensch om uw hand vraagt, sla dan toe. Al sympathiseert ge niet met hem, al hebt ge hem niet lief–- geen nood; niets is veranderlijker dan de vrouw! Verstaat mij wel: trouwt nooit een man dien gij niet acht; maar als ge hem achten kunt, is dat voorloopig genoeg; de liefde, dit verzeker ik u, zal dan wel later komen.” Een in die dagen evenmin zeer progressief tijdschrift als De Gids reageerde: „Met dergelijke redeneeringen tracht mevrouw Van Wermeskerken onze Hollandsche meisjes naar het huwelijk te drijven.” Geen goed idee dus. Daar zou Sophie geboren Junius óók achterkomen. Ze was op haar 27ste getrouwd met Johannes van Wermeskerken, die in 1892 wordt benoemd tot notaris in Krommenie. Echtgenoot, mooi huis, twee zoons, enorm succes als auteur. Wat wil een schrijvende moeder en huisvrouw nog méér? Een kerel die niet slaat. Er is ruzie, er zijn ‘buitensporigheden, mishandelingen en grove beledigingen’. De notaris gooit een bierglas naar haar hoofd, hij slaat zowel met de vuist als met een ijzeren sleutel. In november probeert hij haar te wurgen, als ze bewusteloos op de grond ligt blijft hij schoppen en trappen. Roept dat ze een hoer is, een vuil varken en gemeen dier.

Ik ontleen de laatste gegevens aan Een schrijfster in het Huis van Arrest in de Haarlemse Tuchthuisstraat, geschreven door nazaat Henriëtte van Wermeskerken. Een informatief, prachtig uitgegeven boekje. De titel suggereert al dat er iets diametraal fout is gegaan in de afwerking van genoemde huwelijksperikelen. In december 1893 laat Sophie haar man dagvaarden voor de Haarlemse Rechtbank. Ze wil scheiden. De notaris komt niet opdagen. Sophie laat de dagvaarding intrekken, maar gaat niet meer thuis wonen. Ze klaagt over haar zenuwgestel. Logisch lijkt me. Ze schrijft: ‘De wet is de vrouw vijandig. Mishandeling, berooving van eigendom, enz., mogen door den man op de vrouw vrij worden gepleegd.’ Gek genoeg weet mevrouw van Wermeskerken zichzelf naar haar geweldshuwelijk terug te drijven. Om de kinderen misschien. Het duurt maar een paar maanden voor ditmaal de notaris zelf in november 1895 scheidingsinitiatieven ontplooit. Sophie zou hem een loodstuk van drie kilo naar het hoofd hebben gegooid. Om het zekere voor het onzekere te nemen, dient hij voor de rechtszitting een aanklacht in wegens vergiftiging. Trefwoord antipyrine. Sophie was door de huishoudster waargenomen, terwijl ze deze pijnstillende ontstekingsremmer in het bierglas van meneer roerde. Ze had beter morfine kunnen nemen, wat ook in huis aanwezig was. Antipyrine helpt niet tegen notarissen met losse handjes.

De buitenwacht mocht intussen naar hartenlust meegenieten van de huwelijkse ellende van het gezin Wermeskerken-Junius. De notaris maakt zich niet geliefd met het rondtrompetteren van alle huiselijke minuten. Het Utrechts Nieuwsblad citeerde het Haarlems Dagblad op 25 november 1895 over de kwestie: ‘Het was voor veler gevoel stuitend.’ Notaris Wermeskerken was bovendien als gemeenteraadslid een zodanige dwarse kommaneuker, dat ‘verscheidene leden van den Raad bij periodieke aftreding in dit jaar ronduit verklaarden geen verkiezing te zullen aanvaarden wanneer de burgerij den heer Van Wermeskerken herbenoemde.’ Maar de juridische molen maalde al. Apotheker vond antipyrine in het bier, Sophie werd gearresteerd. ‘En de beschuldiging zelf’, zou ze later schrijven. ‘Vergiftiging!! Klonk zij niet als een sprookje?’

We denken nu aan de huishoudster. Had zij geen medelijden met die arme, mishandelde Sophie? Was zij niet eigenlijk zelf degene die de antipyrine door het bier had geroerd, om de handen vrij te hebben om zelf iets met meneer te beginnen? De auteur van Een schrijfster in het Huis van Arrest sluit het niet uit. Er zijn meer vragen. Waarom duurde het een hele maand voor men had uitgevonden dat antipyrine ongeschikt is voor moord? Interessant. Pas in mei 1901 zou de scheiding worden uitgesproken. Bij Sophie is de fut eruit. Een jaar later wordt ze opgenomen in het krankzinnigengesticht in Utrecht. Aan de drank, dement, catatonisch, exhibitionisme. Achterachterkleinkind Henriëtte van Wermeskerken suggereert dat het een kwestie van syfilis is geweest. Bij wie zou ze dat anders hebben moeten oplopen dan de notaris? Laatstgenoemde is in 1904 opnieuw in het landelijke nieuws. Hij is zoek. Een mooie krantenregel: ‘Dat notaris Van W. een ernstige zenuwpatiënt was, was bekend; sinds twee jaar was hij tot wethouder benoemd en fungeerde hij eenige malen als waarnemend burgemeester.’ In 1905 bleek hij in Athene te zitten. Als we vernemen dat hij in 1918 is overleden in het Belgische gekkendorp Geel dan putten we daar enige troost uit. Sophie is dan al veertien jaar dood. Ze werd 51 jaar.

Ik geloof dat de auteur van Een schrijfster in het Huis van Arrest in de Haarlemse Tuchthuisstraat mij nu precies heeft waar ze wil: ik ben verontwaardigd over wat die schurk van een notaris zijn onschuldige vrouw heeft aangedaan. In één moeite door heeft hij de schrijfster Johanna van Woude de nek omgedraaid. Daarom is het extra jammer van haar geestesdeemstering. Er is een kans gemist op een aangrijpende roman van een gelouterd vrouwelijk auteur over de bittere realiteit van een huwelijk met een spreekwoordelijke etterbak.

Henriëtte van Wermeskerken, ‘Een schrijfster in het Huis van Arrest in de Haarlemse Tuchthuisstraat’. Uitgeverij Spaarn en Hout.