Provincie heeft toekomst, zeker in Europa

Je zult maar een hoogleraar bestuurskunde hebben als Michiel S. de Vries (Opinie, 24 februari). Zijn vooroordelen over de provincies spatten eraf: poppenkast, tweederangspolitici, een bestuurslaag zonder draagvlak – „ik zie geen draagvlak meer voor provincies, niet bij de bevolking, niet bij de gemeenten of bij het Rijk”. Ten dode opgeschreven, in de ogen van de hoogleraar. Als uiterste bewijs voert hij een website op over het voortbestaan van de provinsje Fryslân – niet meer dan 702 mensen hadden hun adhesie betuigd.

Maar waarom zou iemand adhesie betuigen als de gehele provinciale politiek met uitzondering van de Partij voor het Noorden uitgaat van het voortbestaan van de provinsje Fryslân? Hoe verdraagt zich de stelling van De Vries met de uitkomsten van onderzoek van Binnenlands Bestuur van 18 februari 2011 dat ook in de Randstad meer dan tweederde van de kiezers hecht aan het voorbestaan van de provincies? In Zeeland en Fryslân is dat 83 procent, met 8 procent ‘geen mening’.

Wat De Vries miskent is dat provincies belichaming zijn van regionale culturen en bovendien belangenbehartiger voor de regio in Den Haag, maar in toenemende mate in Brussel. De internationale dimensie ontbreekt in het verhaal van De Vries, evenals de constatering dat de VNG – ondanks Jorritsma – niet meer zo’n voorstander is van immer grotere gemeenten. In Europa heeft de regio de toekomst, met name op het terrein van de economische politiek. Het OESO-rapport Globalisation and Regional Economies uit 2007 stelt: „Regions, not nations, appear increasingly as the nodes in global networks. Regions are also the scale at which meaningful interaction among firms, people and knowledge generators leads to innovation.”

Bertus Mulder

Feanwâlden