Polarisatie redt de verkiezingen

De opkomst voor de Statenverkiezingen neemt al decennia af. Maar dit keer is de keuze simpel: links of rechts. Polarisatie als stemmentrekker.

Kan het kabinet-Rutte straks rekenen op een meerderheid in de senaat? Opiniepeilers weten het ook niet. Dat ene zeteltje waarmee zij het rechtse kabinet wel of geen meerderheid laten halen in de Eerste Kamer, ligt binnen de margin of error, de onzekerheidsmarge.

Aparte gewaarwording voor menig kiezer is dat strategisch stemmen even niets betekent. De kiezer heeft slechts twee mogelijkheden: het kabinet haalt het, of niet. Dat maakt de zaak overzichtelijk. PvdA’er Ed van Thijn pleitte in de jaren zeventig voor een ‘penduledemocratie’: geen gedoe meer met onvoorspelbaar opererende middenpartijen, maar gewoon links of rechts. Zijn wens lijkt eindelijk uitgekomen. Althans, voor deze verkiezingen. Misschien dat alleen provinciale partijen en 50Plus de tweedeling doorbreken.

Bij deze duidelijkheid komt dezelfde felheid kijken als in de jaren van Van Thijns pleidooi. Niet alleen politici van beide kampen bestrijden elkaar in stevige woorden, ook rechtse en linkse kiezers veroordelen elkaars politieke voorkeur. Kees Aarts, hoogleraar politicologie aan de Universiteit Twente, concludeert uit decennialang kiezersonderzoek dat opvattingen van stemgerechtigde Nederlanders steeds vaker uiteenliggen. Spleten dertig jaar geleden vooral kruisraketten de samenleving, nu geldt dat ook voor opvattingen over bankiersbonussen, immigratieregels, geld voor ontwikkelingsamenwerking en meer. Aarts: „Mensen beleven die meningen ook intenser.” Bovendien herkennen burgers dat die verschillen tot uiting komen in de politiek, zegt Aarts. „Partijen liggen verder uiteen. De consensus onder hen was vroeger groter.”

Waarom verwachten opiniepeilers geen hogere opkomst bij deze Statenverkiezingen, als de polarisatie onder het electoraat en in de politiek toeneemt? „Dat die opkomst nagenoeg gelijk blijft aan die van vier jaar terug, weerlegt niet de these van een toenemende polarisatie”, zegt Peter Kanne, onderzoeker van TNS NIPO. Kanne ziet twee tegengestelde ontwikkelingen. „Omdat het provinciebestuur mensen steeds meer koud laat, neemt het opkomstpercentage al sinds het verdwijnen van de opkomstplicht af. Tegelijk zie je de mobiliserende kracht van de heldere vraag die voorligt in deze verkiezing: een soort referendum over het kabinet.” Met andere woorden: zonder de polarisatie was de opkomst opnieuw lager geweest dan vier jaar geleden. Nu niet, aldus Kanne.

Tegelijk is het opvallend dat een groep kiezers zegt met de polarisatie juist ongelukkig te zijn. Zij zijn tegen tweespalt en strijd, en stemmen op politici die ‘bruggen bouwen’ en de ‘boel bij elkaar houden’. Minister Piet Hein Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) wees onlangs op een inconsequentie, in zijn ogen, van deze verzoeners. Donner: „Wie tegen polarisatie en buitensluiting wil vechten, moet vooral niet zelf polariseren en buitensluiten.” Hij vindt dat tegenstanders van samenwerking met de PVV die partij niet mogen verwijten „mensen uit te sluiten”. Want doen ze dat niet zelf?

Al hoeft niemand de redenering van Donner te volgen, hij legt wel de vinger op de zere plek: hoe „vecht” een mens tegen polarisatie? Want ja, wie vecht, polariseert. Wie boos is op boosheid, doet mee aan de boosheid.

En misschien is polariseren ook helemaal niet zo slecht. Daarop wees de van oorsprong Amerikaanse historicus James Kennedy in een analyse in 2006. Nederland is zo op consensus gericht, schreef hij, dat na een korte periode van onenigheid de hele samenleving van mening verandert, om opnieuw één en dezelfde opvatting te huldigen.

Kennedy gaf de omgang met de multiculturele samenleving als voorbeeld. Eerst vond de hele politiek, van links tot rechts, integratie met behoud van identiteit een goed idee. Na twee moorden en jaren van fel debat, vindt niet één politieke partij dat nog. Wat zegt dat over de integriteit van hen die het vorige standpunt huldigden, vraagt Kennedy zich af.

Hij ziet in zulke abrupte, collectief beleefde omwentelingen een gevaar, en prees in zijn analyse voorzichtig de loopgraven uit de Amerikaanse politiek. Zijn argument in het kort: de helderheid en standvastigheid van polarisatie zijn ook iets waard.

Bovendien brengt polarisatie rond verkiezingen opwinding en spanning in de politiek teweeg. Er komt een opmerkelijke politieke wetmatigheid in beweging: de strijdende kampen krijgen als vanzelf ongeveer dezelfde omvang in aanhangers. Zie opnieuw Amerika, waar de twee politieke kampen elkaar sinds decennia ongeveer in evenwicht houden.

Toch laat juist dat land ook een keerzijde van die polarisatie zien. Die is zo ver doorgevoerd dat Republikeins- en Democratisch gezinden nagenoeg alleen kranten, televisieomroepen en radiostations tot zich nemen die hun mening bevestigen. Dat brengt een gevaar, ooit mooi verwoord door de inmiddels overleden senator Patrick Moynihan: „Iedereen heeft recht op zijn eigen mening, maar niet op zijn eigen feiten.”