Honger van China is niet te stillen

China investeert miljarden in Latijns-Amerika, op zoek naar grondstoffen.

Lokale bedrijven vrezen de Chinese concurrentie. Europa en de VS hebben het nakijken.

Steenkool en ijzererts voor de staalfabrieken. Goud en kobalt voor de fabrieken die de wereld voorzien van iPhones en Blackberry’s. Sojabonen voor tofu. China is hongerig. Hongerig naar de grondstoffen die nodig zijn om ongeremd te groeien.

De brandstoffen en materialen komen niet vanzelf naar het Verre Oosten. China investeert miljarden in havens, mijnen, wegen en spoorlijnen. De Chinese aanwezigheid in Azië en Afrika is bekend, nu is Latijns-Amerika aan de beurt.

Onlangs ontvouwde de Colombiaanse president Santos Chinese plannen voor majeure investeringen in het spoornetwerk van Colombia. Voor 7,6 miljard dollar wil de Chinese Ontwikkelingsbank ruim 700 kilometer spoor in Colombia aanleggen. Het pronkstuk is een 220 kilometer lange spoorverbinding tussen de Stille Oceaan en de Caraïbische Zee, een directe concurrent voor het Panamakanaal.

Ruim 7 miljard dollar lijkt veel, maar het is een fractie van het bedrag dat China investeert. Uit verschillende schattingen blijkt dat Chinese staatsinvesteringsbanken aan opkomende markten meer hebben verstrekt dan de Wereldbank, de gulle gever uit Washington. China was volgens berekeningen goed voor 110 miljard dollar, de Wereldbank voor 100 miljard.

De afgelopen tien jaar is de handel tussen China en Latijns-Amerika explosief toegenomen. De rol van China als geldschieter is betrekkelijk recent, „hooguit drie tot vijf jaar”, zegt Kevin Gallagher, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Amerikaanse Boston University. Vorig jaar schreef hij het boek The Dragon in the Room (Stanford University Press) over de rol van China in Latijns-Amerika. „In Afrika is China al ruim een decennium bezig met investeren en bouwen.”

Als China nog meer handel met Latijns-Amerika wil drijven, moet het investeren. „Neem Argentinië en Brazilië”, zegt Gallagher. Twee grote landen die belangrijke producten aan China leveren. Samen zijn ze de grootste exporteur van sojabonen ter wereld en China is wereldwijd de grootste importeur. Brazilië is ook een olieland, een grondstof waarvan China nauwelijks genoeg kan aanslepen. „Bijna alles moet via de havens aan de Atlantische Oceaan. Dat is allesbehalve efficiënt.”

Op zich lijkt de aanleg van een concurrent van het Panamakanaal niet rendabel, zegt Tiedo Vellinga, hoogleraar havens en scheepvaart aan de TU Delft. Het Panamakanaal is de laatste drie jaar uitgebreid. Er zijn geen lange opstoppingen of vertragingen door drukte. Maar het ontsluiten van het achterland noemt hij wel zinnig. De aanleg van een spoor- of wegennetwerk dat het achterland verbindt met een haven aan de Stille Oceaan is een slim idee, zegt hij.

„China kan wellicht de verbinding zelf rendabel maken door er massaal grondstoffen langs te exporteren. China groeit zo snel dat je nooit weet hoe lang het duurt voordat het Panamakanaal wel met capaciteitsproblemen zit”, aldus Vellinga. Zes van de tien grootste havens ter wereld liggen in China, zegt hij.

De Chinese aanpak is allesbehalve filantropisch. Het lijkt het perfecte winstmodel. Een Chinese staatsinvesteerder draait (deels) op voor de kosten, maar een Chinees bedrijf voert de klus uit. De plannen in Colombia zijn hier een goed voorbeeld van. De Chinese ontwikkelingsbank investeert miljarden, maar het spoorwegbedrijf profiteert als de plannen worden uitgevoerd. Dat staat nog los van de winsten die Chinese bedrijven kunnen maken met de Colombiaanse grondstoffen.

Westerse bedrijven noemden dit een oneerlijke vorm van concurrentie. Eind vorig jaar hekelde Peter Berdowski, bestuursvoorzitter van baggeraar Boskalis, de werkwijze. Als de Chinese staat een spoorverbinding en de aanleg van een mijn doneert, weet Berdowski wel wie het contract voor de haven krijgt als het tussen Boskalis en een Chinees bedrijf gaat. „Dit is een gehaaide vorm van ontwikkelingshulp”, zei Berdowksi.

In andere gevallen is de deal voor China nog lucratiever. Het land in kwestie betaalt zelf en een Chinees bedrijf krijgt de opdracht. Zo investeerde Venezuela in 2009 7,5 miljard dollar in een spoorwegproject dat uitgevoerd wordt door een Chinees spoorwegbedrijf. Venezuela verwacht dat het project 7.500 banen oplevert en een geïsoleerd gebied ontsluit.

Grote delen van Latijns-Amerika zijn opgetogen over de komst van Chinees geld, zegt de Amerikaanse hoogleraar Gallagher. „Sinds de tijd dat de VS tijdens de Koude Oorlog fors in Amerikaanse landen investeerden, waren er niet zó veel ambitieuze infrastructuurprojecten”,zegt hij. „En in tegenstelling tot het IMF en de Wereldbank stelt China geen lastige eisen als goed bestuur of economische hervormingen. Iedereen kan Chinees geld ontvangen, van socialistisch Venezuela en Ecuador tot Colombia, van oudsher een bondgenoot van de VS. Zo lang een land maar iets te bieden heeft.”

De toegenomen Chinese aanwezigheid leidt ook tot kritiek. Braziliaanse bedrijven klagen over goedkope importproducten waar ze niet mee kunnen concurreren. De milieuwetgeving in veel Zuid-Amerikaanse landen is ondermaats en daar maken de Chinezen misbruik van, zeggen actiegroepen.

Ook zouden de Chinese investeringen te weinig werkgelegenheid opleveren. In de chemische industrie werken niet zoveel mensen en de mijnen leveren vooral werk op voor lageropgeleiden. Daar wordt het land niet veel welvarender van, is de kritiek.

De komende decennia zal de mondiale slag om grondstoffen alleen maar toenemen, verwachten de economen. De vraag is of Europa en de VS de afgelopen jaren de slag hebben gemist.

Latijns-Amerika-expert Gallagher weet één ding zeker: de VS zijn blut en China is rijk. „Bovendien waren de VS de afgelopen jaren afgeleid. Na ‘9/11’ ging alle aandacht naar het Midden-Oosten. Na de kredietcrisis waren wij met onszelf bezig. China heeft slim geprofiteerd. De Verenigde Staten zaten te slapen.”