Familiedrama in een prehistorisch jagerskamp

Zo’n 11.500 jaar geleden cremeerde een groep jagers en verzamelaars een kind van een jaar of drie in een put in hun zomerhuis van hout en huiden. Zonder grafgiften, wel met piëteit.

Het kamp stond in een duingebied aan de zuidelijke oever van de Tanana, een rivier die door het midden van Alaska stroomt. De huidige indiaanse bevolking noemt die Xaassa Na’, in het Engels Upward Sun River, en dat is ook de naam die archeoloog Ben Potter aan de vindplaats heeft gegeven. Zo’n 11.500 jaar geleden bracht een groep jagers en verzamelaars hier de zomer door in huizen van hout en huiden.

Hier moet zich ook een drama hebben afgespeeld. Midden in één van de huizen, in een gat in de grond dat eerder was gebruikt om te koken en etensafval te storten, vond Potter het half verbrande skelet van een kind. Het was na overlijden gecremeerd, het gat was toegedekt en kort daarna had de groep het zomerkamp verlaten.

De overblijfselen van de huizen aan de Tanana zijn in 2010 blootgelegd door Potter en zijn team van de universiteit van Alaska in Fairbanks. Dat deden ze in nauwe samenwerking met de indiaanse bewoners van het gebied. De onderzoekers hebben hun vondst vrijdag bekendgemaakt in het weekblad Science.

Het kamp is in meerdere opzichten uniek. Nooit eerder zijn zulke oude menselijke overblijfselen gevonden in Noord-Amerika. De oudste die op deze breedte zijn aangetroffen, zijn enkele honderden jaren oud. Afgaande op koolstofdatering van houtresten dateert het kamp uit het vroege Holoceen, zo’n 11.500 jaar geleden, toen een groot deel van Canada nog bedekt was door twee ijskappen en Alaska nog met Azië was verbonden door een landbrug.

Het ging niet om een tijdelijk bivak van trekkende bison- en elandjagers. Daarvan zijn er meerdere gevonden en die vormden tot nu toe de belangrijkste aanwijzingen voor de vroegste bewoning van Noord-Amerika. Deze jagersgroep kampeerde hier de hele zomer in semipermanente huizen, vergezeld van vrouwen en kinderen. Ze vingen vis en joegen op vogels en kleine zoogdieren.

Het grondplan van een van de woningen is compleet bewaard gebleven. Aan de binnenkant was de vloer 27 centimeter uitgegraven. Kleurvlekken in het sediment op regelmatige afstand van elkaar wijzen erop dat hier houten palen hebben gestaan die de wanden of het dak hebben gesteund.

In het midden van de woning was een ovale, 45 centimeter diepe put en daarin werden dus de verbrande resten van een kind gevonden. Slechts 20 procent van het skelet is bewaard gebleven. Uit die resten valt niet op te maken of het een jongen of een meisje was. Maar er zijn tanden bij en daaruit concludeert co-auteur Joel Irish, een antropoloog gespecialiseerd in menselijke gebitsresten, dat het kind ongeveer drie jaar was toen het stierf. Het is nog niet duidelijk of uit bot- en gebitsresten DNA is te isoleren. Het skelet vertoont geen sporen van verwondingen.

In de buurt van het kind zijn geen grafgiften gevonden. Volgens Potter is dit kenmerkend voor jagers en verzamelaars. De put is na de crematie opgevuld met aarde en boven die deklaag zijn geen artefacten meer aangetroffen, wat wijst op vertrek na de crematie. Dat het lijkje is gecremeerd en begraven in het huis en dat het huis daarna is verlaten, zou wel degelijk duiden op piëteit.

Hoewel over dateringen en andere bijzonderheden nog een levendig debat woedt, zijn de meeste onderzoekers het er over eens dat tegen het einde van de laatste ijstijd, zo’n 13.000 jaar geleden, de eerste mensen uit Siberië naar Noord-Amerika kwamen via een landbrug waar nu de Beringstraat ligt – archeologen noemen die Beringia. Ze zouden door de ijsvrije corridor tussen de ijskappen naar het zuiden zijn getrokken en het continent hebben bevolkt.

Deze jagers ontwikkelden in de Nieuwe Wereld een eigen cultuur. Die kreeg de naam Clovis, naar een gehucht in New Mexico waar in 1928 voor het eerst hun sporen werden gevonden – speerpunten tussen mammoetbotten. Sindsdien zijn op ruim twintig plaatsen, verspreid over de Verenigde Staten bezuiden Canada, soortgelijke vondsten gedaan. Van die Cloviscultuur zijn geen menselijke overblijfselen gevonden; alleen werktuigen en wapens. En nergens waren die ouder dan 10.050 jaar. De typische gegroefde, lancetvormige speerpunten van Clovis ontstonden waarschijnlijk bezuiden de continentale ijskappen.

In Noord-Amerika is maar een handvol behuizingen gevonden uit de eerste 2.000 jaar van menselijke bewoning. En die bevinden zich allemaal in de 48 staten ten zuiden van Canada. Eén woning uit die periode is gevonden aan de Aziatische kant van Beringia, aan het Ushkimeer op het schiereiland Kamtsjatka.

Potter en zijn team vonden de resten van een compleet kamp én menselijke resten op het oostelijke bruggenhoofd van Beringia, het doorgangsgebied tussen Azië en Amerika. Hun reconstructie van het kamp geeft inzicht in het dagelijks leven van deze Amerikanen van het eerste uur. Zo vonden ze in een afzettingslaag onder het gecremeerde kinderskelet plantenresten, beenderen van eekhoorns en andere kleine zoogdieren en zalmgraten – kortom, geconsumeerde jachtbuit.

De werktuigen die zij aantroffen in het kamp zijn kleine, scheermesachtige vuistbijlen van gekliefde steen, die archeologen microlemmets noemen. Die lijken veel meer op stenen werktuigen die zijn gevonden aan het Ushkimeer in Siberië dan op de speer- en pijlpunten van de Cloviscultuur. Potter en de zijnen zeggen dan ook dat ze aan de Tanana een technologie hebben gevonden die Alaska verbindt met Azië.