Eigenlijk moet er bloed vloeien

Het volksprotest in Bahrein is een kopie van de leuke Oost-Europese kleurenrevoluties.

Is dat genoeg om de sluwe koning met zijn omkoping en tijdrekken weg te krijgen?

Bahraini protesters sit and rest in their tent at Pearl Square in the Bahraini capital of Manama, February 28, 2011. Bahrainis campaigning for democratic reforms in the Gulf Arab state staged a protest outside the U.S. ally's parliament building on Monday, demanding that all its members resign over protester deaths. REUTERS/Hamad I Mohammed (BAHRAIN - Tags: POLITICS CIVIL UNREST)
Bahraini protesters sit and rest in their tent at Pearl Square in the Bahraini capital of Manama, February 28, 2011. Bahrainis campaigning for democratic reforms in the Gulf Arab state staged a protest outside the U.S. ally's parliament building on Monday, demanding that all its members resign over protester deaths. REUTERS/Hamad I Mohammed (BAHRAIN - Tags: POLITICS CIVIL UNREST) REUTERS

Tijdens een speech stopt een pick-up op de Parelrotonde en laadt drie schapen uit. Ze krijgen een slokje water, dan gaat razendsnel het mes door de kelen en bloeden de schapen stuiptrekkend leeg boven een rioolputje. De gulle gever belooft stralend dat ze vanavond al in de majboos zijn verwerkt, het rijstgerecht dat gratis wordt uitgedeeld.

Los van dergelijke couleur locale oogt het volksprotest tegen het vorstenhuis Al-Khalifa in het Golfstaatje Bahrein nogal vertrouwd. Bijna een kopie van de geweldloze ‘kleurenrevoluties’ die het afgelopen decennium in Oost-Europa de regeringen van Servië, Georgië en Oekraïne ten val brachten. Zoals in het van origine Servische handboek is er een centraal tentenkamp waar volksprotest gewoon leuk is. ’s Nachts bewaakt de jeugd de Parelrotonde, na werktijd parkeren vader en moeder hun auto en ontstaat er iets wat het midden houdt tussen jongerenfeest en popconcert. Er zijn talloze standjes met gratis majboos, koffie , thee en sinaasappels, en in de tenten gebeurt van alles: klasjes van stakende leraren, debatten van werkloze academici, eerste hulp, een kapsalon en cursussen cartoons tekenen. Het podium is „ons Hyde Park”, zegt een activist trots: wie wil, kan er toespraken afsteken, leuzen roepen of poëzie voorlezen.

Zichtbare leiders heeft het protest niet, de organisatie is informeel en betogers houden elkaar via websites, Facebook, Twitter en sms op de hoogte. Soms haalt de regering sites uit de lucht. „Ik begrijp niet hoe dit protest werkt”, zegt de verwonderde mensenrechtenveteraan Abdul Ahari Al-Khanjar, net vrij na zes maanden te zijn gemarteld als politiek gevangene. „Ik ken die jongelui niet. Maar dat is goed, daarom was onze veiligheidsdienst ook zo verrast, denk ik.”

Jonge activisten zijn van hun kant bang dat de grijze baarden van de gevestigde shi’itische partijen het stiekem op een akkoordje gooien met de macht. „Degenen die bang zijn om een offer te brengen, gaan al snel praten”, zegt activist Sayed al-Wadari, die hechtingen in zijn voorhoofd heeft van het politiegeweld. Soms zie je wrijving tussen generaties. Als een liberale journaliste van bijna vijftig nogal theatraal klaagt over de vroegere censuur op haar krantenartikelen, bitst activiste Aalaa: „Onze revolutie heeft geen oude media nodig.”

Toch lijkt een jeugdfestijn op een rotonde tussen winkelcentra niet genoeg om het sluwe vorstenhuis Al-Khalifa op de knieën te dwingen. In de jaren negentig smoorde een langdurige protestronde van de gediscrimineerde shi’itische meerderheid toen koning Hamid in 1999 op de troon kwam en respect voor mensenrechten, een parlement en constitutionele monarchie beloofde. Resultaat is een tandeloos parlement waarin de shi’ieten ondervertegenwoordigd zijn, een staat die nog steeds wordt gerund als familiebedrijf en geleidelijk toenemende repressie. De helden van vorige week, 23 mannen die in augustus waren gearresteerd wegens een vage ‘shi’itische coup’, toonden littekens en vertelden over modieuze foltertechnieken, van slaapdeprivatie via elektroshocks naar verkrachting.

Inmiddels laat het vorstenhuis Al-Khalifa zich van zijn liberale kant zien. Sinds de achttiende eeuw exploiteert het de archipel Bahrein: eerst zijn parels en dadels, daarna zijn olie, nu zijn banken en zondige toerisme. Na aanvankelijk geweld dat zeven doden kostte, veranderde het vorstenhuis vorige week soepel van tactiek. Het liet politieke gevangenen vrij, schermde met een tot niets verplichtende dialoog, beloofde hypotheken met een kwart te verlagen en presenteerde het bloedvergieten als een soort natuurramp: heel betreurenswaardig. Tegelijk maakt televisie de bevoorrechte minderheid van sunnieten bang voor sektarisch geweld en een machtsgreep van de shi’ieten.

Zaterdag werden vier weinig geliefde, niet essentiële ministers ontslagen en rept een staatskrant van een ‘kabinet vol nieuwe gezichten’. Bijna symbolisch: de foto toont hun achterhoofden omdat de ministers opkijken naar koning Hamid en zijn oom, de premier die al veertig jaar regeert.

Oppositiepolitici, zoals de uit Londen teruggekeerde Hassan Musaima, beloven het front gesloten te houden en pas in dialoog te gaan als de hele regering is afgetreden. „Ze willen net zolang praten tot de Parelrotonde leeg is, en dan wordt alles weer zoals vroeger”, zei hij. Maar de jonge activisten moeten nog een antwoord vinden op de combinatie van verdeel en heers, zoete woorden, omkoping en tijdrekken. Eigenlijk, peinst een activist, moet er bloed vloeien. Maar als betogers dit weekeinde van de Parelrotonde naar ministeries trekken, stuiten ze op blokkades van de politie. Hoe ver is men eigenlijk bereid te gaan? Alle vurige taal over offers en martelaarschap ten spijt, is Bahrein een vreedzame samenleving, erkent ook de jonge activist Sayed al-Wadari. „Daarom waren we ook zo geschokt door dat extreme geweld tegen ons.”

De shi’itische dorpen steken met hun nauwe straatjes en kleine huisjes magertjes af bij de enorme, zandsteenkleurige paleizen van de Al-Khalifa’s, omgeven door de luxe voorstadjes van sunnieten. Het draait niet echt om geld, zegt Sayed, maar om waardigheid. Hij wil een seculiere democratie, een rechtsstaat, gelijke kansen voor iedereen. Zelf is Sayed zowel begunstigde als slachtoffer van het Bahreinse paternalisme. Op kosten van de overheid mocht hij communicatie studeren in Londen, maar toen hij terugkeerde als ingenieur was er geen werk. „Niet dat er geen banen zijn, ik heb gewoon de verkeerde achternaam. Ze huren liever een Pakistaan in, die kunnen ze meteen naturaliseren om de demografische balans in het voordeel van de sunnieten te veranderen.” Uiteindelijk vond hij werk bij een Indiaas bedrijf, dat 500 euro per maand betaalt. Maar zo is de Bahreinse welvaartsstaat dan ook weer: dat bedrag is onder de norm voor iemand met zijn opleiding, dus krijgt hij maandelijks een staatstoelage van 500 euro.

Eens moet het vastlopen, zo’n combinatie van goed opgeleide bevolking, middeleeuws paternalisme en democratische coulissen. De vraag is alleen of het al dit jaar is.

The NYTimes heeft een interactieve kaart van alle protesten in de regio: nrcnext.nl/links