Delhi telt moeizaam zijn massa paupers

De Indiase hoofdstad telt tienduizenden daklozen. Ambtenaren die zijn belast met de volkstelling doen hun werk schoorvoetend. Hun chef Joshi is boos.

Als de nacht valt, telt Delhi zijn paupers. De voorbije drie weken hebben 2,7 miljoen ondervragers van Census 2011 alle huizen in India bezocht. Als afsluiting zijn nu de daklozen aan de beurt. Want elk mens is gelijkwaardig en moet dus worden geteld, heeft censusambtenaar Varsha Joshi (39) benadrukt in haar rondzendbrief nummer 82.

Joshi is verantwoordelijk voor het goede verloop van de volkstelling in de hoofdstad. 13.782.976 inwoners werden tien jaar geleden genoteerd. Onder hen 25.000 daklozen. Of dat aantal toen klopte, is de vraag. Nu is het zeker niet meer adequaat, zeggen nongouvernementele organisaties (ngo’s). Zij gaan uit van tussen 100.000 en 150.000 daklozen.

Joshi heeft haar auto naast de ingang van een openbare school geparkeerd, verscholen in de schaduw van de Jama Masjid, de grote Vrijdagmoskee in de oude stad van Delhi, waar vooral moslims wonen. Joshi is boos. „Probeer me niet voor de gek te houden. Ik weet precies wat er aan de hand is”, foetert ze in haar mobieltje. Ze draait zich om naar een man met een gesoigneerd snorretje. „Doe nu dat notitieboek dicht en luister goed naar wat ik zeg. Je hebt gewoon je werk niet gedaan”, bijt ze hem toe.

De opdracht was geweest: zorg dat je van te voren in elke buurt contact hebt gelegd met ngo’s. Zij weten waar de duizenden straatkinderen en dakloze vrouwen en mannen de nacht doorbrengen. In opvangtenten, neergezet door vrijwilligers of gemeente, in parkjes, onder viaducten, gewoon op het trottoir. Maar er is slecht geluisterd. Sommigen hebben niet de moeite genomen om op verkenning te gaan. „Daklozen dragen een stigma met zich mee”, zegt Joshi.

Ze loopt voorop in het donker. Langs verlaten kraampjes, langs slapende straathonden en langs groepjes mannen die roti en dal, plat brood met linzen, eten van plastic bordjes bij een verlicht eetstalletje. Ze ontwijkt de schaduwen van in dekens gehulde lichamen op de brede trappen voor de Jama Masjid. Ze passeert drie jongens die bijna onzichtbaar achter een muurtje gehurkt op de grond zitten en het vlammetje van een aansteker onder een zilverpapiertje houden. Een eenzame man met grote, starende ogen verwarmt zich aan een vuurtje dat hij opstookt met stukken plastic. „De meesten zijn naar Delhi gekomen om werk te vinden en zijn niet verder gekomen dan hier”, zegt een hulpverlener.

Muskan, een achttienjarige vrouw met een mannelijk gezicht, zit met gebogen knieën op de grond in een perkje. Ze draagt goudkleurige lakschoentjes. Haar strakke glitterbroek plooit langs dunne, door polio aangetaste benen die niet meer kunnen lopen. Anderhalf jaar geleden is ze getrouwd met Sameer en ze heeft een baby van zeven maanden, vertelt ze tegen twee onderwijzeressen die de telling uitvoeren. Ze wijst naar een oude man en twee jongens die een paar meter verderop zitten. Ze hebben een deken op de grond gelegd. Onder een gewatteerde deken steekt het hoofdje van een slapende baby.

Shenaaz (13) woont met haar broertje, twee zussen en haar moeder (32) in een grote tent die voor de winter is neergezet op een modderveld, schuin tegenover de Jama Masjid. Daarin slapen nog eens vijftig vrouwen en kinderen. Een televisie staat aan. Tussen de twee rijen britsen is een tafeltje neergezet, met daarachter de medewerksters van de census. Haar eerste echtgenoot is overleden, haar tweede sloeg de kinderen en daarom heeft ze hem verlaten, vertelt de moeder van Shenaaz. Ze raapt vodden, antwoordt ze op de vraag naar haar beroep.

Shenaaz moet ook vodden rapen. Maar ’s ochtends gaat ze eerst naar school. Ze wil dokter worden, zegt ze. Haar moeder wil niet dagdromen. Over twee weken wordt de tent afgebroken en moet ze met haar kinderen weer op straat slapen. Ondanks haar jonge leeftijd is Shenaaz geen meisje meer. Wie zal haar beschermen? De moeder van Shenaaz krijgt tranen in haar ogen. Shenaaz toont geen emoties. Honderd meter verderop baadt een moslimschrijn in het licht. Door luidsprekers versterkte muziek en gezang schallen over de moddervlakte, urenlang achter elkaar. Over tien jaar worden Shenaaz en haar moeder misschien opnieuw geteld, en waarschijnlijk opnieuw in de nacht.