De innige banden met Gaddafi

De uitspraak van de Franse diplomaat Talleyrand dat „naïviteit erger is dan een misdaad” wordt wederom bewezen in de neergang van de Libische leider Moammar Gaddafi. Europese regeringsleiders vonden dat Gaddafi een ‘bekeerling’ was die terrorisme had afgezworen. Ze fêteerden hem. Hij is de moordenaar die hij altijd was. Het Europese ‘Noord -Afrikabeleid’ is een puinhoop, maar op het puin groeit hoop. Het vrijheidsideaal en Arabieren zijn minder tegenstrijdig dan de Europese elite vermoedde.

Europese politici zijn begonnen met een smadelijke aftocht na het mislukte Noord-Afrikabeleid, waarbij zij dachten dat autoritaire leiders de beste garantie waren voor stabiliteit. Nog eind vorig jaar vond in de Libische hoofdstad Tripoli de derde topontmoeting plaats tussen de Europese Unie en de Afrikaanse Unie (AU).

EU-president Herman Van Rompuy prees Europa’s relatie met Afrika als de „meest bestendige ter wereld”. Gaddafi, in 2009 voorzitter van de AU, trakteerde Europese politici op een donderpreek, waarin hij eiste dat „christelijk en blank Europa” hem 5 miljard euro zou betalen voor beperking van immigratie uit Afrika. Zo niet, dan zou hij van Europa „het zwarte continent” maken. Europese politici ondergingen het als zoutzakken. Gaddafi was weliswaar excentriek, maar gelukkig een pleitbezorger van de ‘Verenigde Staten van Afrika’ – Afrikaanse integratie naar Europees model.

De dialoog tussen Europa en Noord-Afrika was een ‘dialoog tussen elites’, geleid door Frankrijk, dat pretendeerde de regio „goed te kennen”. De EU volgde in het kielzog. In werkelijkheid gebruikte Frankrijk, dat de allures heeft van een grote mogendheid, maar mondiaal gewicht mist, Afrika voor politieke penisverlenging. De Franse president voelt zich vooral groot in Noord-Afrika, omgeven door bevriende staatsmannen. De lovende woorden van Franse politici over het regime van de Tunesische leider Ben Ali passen in dat kader. De Franse minister van Cultuur, Frédéric Mitterrand – neef van de ex-president – vond het etiket dictatuur voor Tunesië „overdreven”. President Sarkozy had een innige band met Ben Ali, maar dat hadden zijn voorgangers Chirac en Mitterrand ook.

De Europese Unie verbreedde die politiek tot een ‘dialoog met Afrika’ via topontmoetingen tussen de EU en de AU. Dit werd het geschikte platform voor Gaddafi, nadat hij in 2003 het terrorisme ‘had afgezworen’. In 2004 bracht hij een bezoek aan Brussel, uitgenodigd door de Belgische premier Guy Verhofstadt, die hem onthaalde met militair eerbetoon. Gaddafi bezocht ook de Europese Commissie. Voorzitter Romano Prodi verwelkomde hem op het vliegveld, protocollair zeer ongebruikelijk. Het was een royale behandeling voor een moordenaar, die verantwoordelijk is voor de aanslag op het PanAm-toestel boven Lockerbie in 1988. Daarbij kwamen 270 mensen om het leven.

De Britse premier Blair sloot in 2007 een akkoord met Gaddafi – deal in the desert – om de terrorist Abdelbaset Al-Megrahi, in Schotland gevangen wegens die terreuraanslag, vrij te laten, in ruil voor oliecontracten met BP. In 2009 liet de Schotse regering Al-Megrahi vrij, uit „humanitaire overwegingen”. Hij zou weken te leven hebben. Hij leeft nog steeds.

Blair noemde Mubarak op CNN een „enorm moedige president, een kracht van het goede”. Dat was uitgerekend op de dag waarop Mubarak-aanhangers op paarden en kamelen het Tahrirplein in Kairo bestormden.

Europa moet zich schamen. Europese leiders gedroegen zich tegenover Gaddafi als onnozele gatlikkers. Daarmee handelden ze ‘crimineel’, getuige Gaddafi’s bombardement van zijn eigen bevolking met Europese wapens. Het was Europa’s morele en politieke dieptepunt.

Gelukkig bestaan aanknopingspunten voor een nieuwe relatie met Noord-Afrika, niet zozeer met elites, maar met de bevolking. Die groeit explosief. Zo had Egypte in 2000 70 miljoen inwoners. In 2030 zijn dat er 110 miljoen. Daarvan is 51 procent jonger dan 25. Slechts 11 procent is ouder dan 60. Ook Marokko, Algerije en Tunesië hebben dat patroon. Dit demografische profiel, gecombineerd met een matig groeiende economie, die werd afgeroomd door regerende clans, brengt een jeugd voort die een toekomst eist. De sleutelwoorden zijn ‘vrijheid’ en ‘werk’.

Arabische potentaten, die doorgaans de schuld gaven aan ‘het zionisme’, breekt nu het zweet uit. Voor de Egyptische jeugd is Israël niet het probleem – wel massawerkloosheid. Wellicht laten Tunesië en Egypte zien dat vrijheid en de Arabische wereld compatibele begrippen zijn en dat democratie een kans krijgt, desnoods onder voogdij van een leger, zoals in Turkije of Indonesië. Dat zou een ‘liberale revolutie’ zijn waar men haar niet verwacht. Vooral een ‘democratisch Egypte’ kan een historisch keerpunt zijn in de radicalisering van de islam sinds de vestiging van het ayatollahregime in Iran. Het zou ook een ander beeld zijn voor islamieten in West-Europa die zich een identiteit aanmeten aan de hand van radicale imams.

Egypte geeft hoop, los van het afgrijzen over Gaddafi. Europa’s leiders veroordelen nu het monster dat ze zelf hebben gevoed. Hopelijk hebben ze hun les geleerd en arriveren ze spoedig aan de goede kant van de geschiedenis.