Geraakt door iets Grieks dat hem niet meer losliet

Frans van Hasselt, die ruim vijftig jaar voor deze krant berichtte over Griekenland, leefde als een Griek, maar sprak nooit over ‘wij’.

Hoewel Frans van Hasselt op een gegeven moment de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, is hij nooit opgehouden correspondent te zijn voor deze krant tot hij in de nacht van donderdag op vrijdag in zijn slaap overleed, 83 jaar oud.

De jonge historicus begon in 1959 als correspondent in Athene voor toen nog het Algemeen Handelsblad en bleef tot nu toe onverdroten doorcorresponderen over wat er gebeurde, wat hij zag en wat hem opviel. Hij was een echte journalist, die altijd en overal nieuws en nieuwtjes zag, die een nieuwsgierigheid paarde aan analytisch vermogen en wiens belangstelling zich uitstrekte van de voetbaluitslagen van minder opmerkelijke Nederlandse clubs tot heroplevend antisemitisme in Griekenland en van de vele katten die Athene rijk is tot politieke corruptie, waar Griekenland eveneens rijk aan is.

Zijn hart lag in Griekenland, al correspondeerde hij ook over Turkije waar hij terechtkwam tijdens de kolonelsjunta in Griekenland (1967-1974), toen hij als ongewenste vreemdeling het land uit werd gezet. Bij die gelegenheid werd hij gevangen genomen en bedreigd, zelfs geslagen. Hij schreef erover in een stuk waaraan eens temeer zijn elegante en afstandelijke stijl valt af te lezen. Over het einde van zijn verblijf in een cel in het gebouw van de geheime politie schrijft hij: „Dan komt er een heer, die vraagt of ik ook klachten heb. Ik vertel hem van de oorvijgen, van mijn eerstenachtpassering en van alle bedreigingen. Vooral dat van dat nagels uithalen, dat vond ik niet zo aardig gezegd.”

Van Hasselt deed niet erg dramatisch over wat hem toen overkwam, dat wat de Grieken overkwam was vele malen erger. En dat hij na zijn ontslag uit de politiecel ook nog een dag en een nacht gevangen gehouden werd in het huis van bewaring, samen met allerlei Grieken die vanwege hun linkse sympathieën waren opgepakt, beschouwde hij als een kans „waarvoor menig journalist een kapitaal zou hebben neergelegd”.

Van Hasselt leefde in Athene als een Griek, gekleed in de dracht van oudere Griekse heren (een katoenen overhemd met korte mouwen dat gemaakt is om over de broek heen gedragen te worden), altijd beladen met Griekse kranten en tijdschriften, druk converserend met obers, taxichauffeurs, bloemenverkoopsters, straatfotografen, en met een keur aan mensen die hij uit de cafés en de restaurants kende. Toch bleef hij, ondanks zijn enorme verbondenheid met Griekenland, ook altijd de buitenstaander en scherpzinnige beschouwer, hij sprak altijd over ‘de Grieken’ en niet over ‘wij’, en stond kritisch tegenover sommige nationale gewoontes terwijl hij andere hartstochtelijk omhelsde.

Hij werd de eerste keer dat hij in Griekenland kwam, in 1951 met leden van zijn studentendispuut Homeros, meteen geraakt door iets in het land, iets dat hem niet meer losliet. Dat ‘iets’ bestond uit een mengeling van van alles – taal, eenvoud, gastvrijheid, geschiedenis, licht – maar een groot element daarin was de muziek. Op de Achterpagina van deze krant schreef hij in 1995 en 1996 een rubriek ‘Verslaafd aan Griekse muziek’ waarin hij zijn best deed om uit krantenpapier iets te laten opklinken van het huilen van de bouzouki, van het onvergelijkelijke ritme van de zeïmbekiko, van de wonderbaarlijke teksten die Grieken doodleuk ’s avonds laat zingen in de taverna’s: „Het licht van de zon doofde uit/ en de maan ging verloren/ en de jongen is verdwenen”. Over het lied van Manos Xarchákos waaruit deze regels komen, schrijft Van Hasselt: „De bouzouki heeft hier een voorwaar clavecimbelachtige partij”. Hij verbaasde zich er weleens over dat Bach geen gebruik had gemaakt van de ritmes waarmee Griekse componisten hun voordeel doen.

Voor menigeen zal Athene niet helemaal meer hetzelfde zijn nu Van Hasselt er niet meer in zijn vaste restaurant te vinden is – wat moeten de obers van restaurant Zorbás zonder hun vaste klant die er zijn eigen muziek mocht draaien? De deuren van drukke nachtgelegenheden zwaaiden altijd open voor Frans, een muziektent kon zo vol niet zijn of voor hem werd een tafeltje gevonden, desnoods uit de kelder naar bovengehaald. „Ha meneer Frans met uw gezelschap!” riep de verhit rondrennende bedrijfsleider met oprecht enthousiasme. Een ‘oogverblindende goodwill’ woei hem tegemoet. Omdat hij zo aardig was.

Gelukkig heet de kamer op het Nederlands Instituut in Athene, waar schrijvers in kunnen verblijven, de Van Hasselt-kamer.