Zonder taal, zonder huid

Kersvers moest je in het leven staan, vond M. Vasalis. Wie alles als nieuw zag, stond open voor de poëzie. Dat voor haar zo essentiële gevoel verdween met het ouder worden, leest Marjoleine de Vos.

Maaike Meijer: M. Vasalis. Een biografie. Van Oorschot, 967 blz. € 49,90

Ze was het liefst verliefd, Vasalis, en dat lijkt haar ook lange tijd een vrijwel noodzakelijke toestand om te kunnen schrijven, te kunnen leven zelfs. Hoewel schrijven en leven bij haar in een bepaald opzicht hetzelfde zijn: ‘Het echte schrijven moet een vorm van leven zijn en niet alleen commentaar’, schrijft ze in haar dagboek.

Het is een typerende uitspraak van een dichteres die, zo blijkt overweldigend uit de biografie die Maaike Meijer over haar schreef, hevig en diep voelde en leefde en alles ‘echt’ wilde hebben, vers, ‘kers-vers’ schrijft ze zelf geregeld. Kersvers is de verliefdheid natuurlijk, maar kersvers is ook een kind, de zee, het wakker worden van de vogels in de vroege ochtend, een psychiatrische patiënt die zijn nood vrijwel naakt laat zien.

Kersvers moeten ook gedichten zijn, als het leven zelf. Zijn ze dat niet of niet meer, dan verliest de dichteres er elke belangstelling voor: zelden over een kunstenaar gelezen die zo bij voortduring een hekel heeft aan het eigen werk en het tegelijk zó belangrijk vindt om het te maken. Dat gaat natuurlijk samen: wie werkelijk het hoogste belang hecht aan wat ze maakt, moet daar ook wel buitengemeen kritisch tegenover staan, anders stelt dat ‘belang’ niets voor.

Kijk, zo’n biografie is dat nu die Maaike Meijer heeft geschreven: je wilt meteen verder denken over de kwesties die het boek oproept, over de uitspraken van Vasalis, over de verhouding tussen leven en werk, over de bronnen waaruit een dichtersschap voortkomt, over het raadsel van de creativiteit.

M. Vasalis, het dichterspseudoniem van Margaretha (‘Kiek’) Leenmans (1909-1998), moet tot deze biografie verscheen de geheimzinnigste dichter van de vorige eeuw geweest zijn. Haar bundels werden verslonden en beleefden herdruk op herdruk, maar het waren er maar drie, na 1954 verscheen er geen nieuwe bundel meer. Interviews gaf ze niet. Een heel enkele keer stond er nog eens een gedicht in een tijdschrift. Toen ze stierf ging het gerucht dat er nog heel veel was, maar de postume bundel De oude kustlijn (2002) sprak dat tegen: 53 gedichten kozen de erfgenamen uit haar nalatenschap, meestal op grond van haar eigen in de kantlijn geschreven aanwijzingen.

De erfgenamen, haar kinderen, schreven in hun verantwoording bij die bundel dat ze wisten dat schrijven ‘een levensbehoefte’ voor hun moeder was. Menig lezer zal zich toen hebben afgevraagd hoe dat zat, wat voor levensbehoefte kan dat zijn die in ruim veertig jaar niet meer dan ruim vijftig gedichten oplevert? Het klonk als een overdrijving.

Dat het niet overdreven was om schrijven voor haar een levensbehoefte te noemen, blijkt nu wel. Vasalis schreef veel en wilde ook erg graag schrijven. In haar nalatenschap bevinden zich behalve onvoltooide of verworpen gedichten ook nog allerlei prozaschetsen, waarvan ze er toen ze jong was enkele publiceerde.

Ze schreef buitengewoon goed, ook in haar brieven en dagboeken. Deze biografie ontleent voor een groot deel haar kracht aan teksten van Vasalis: haar dolle, eerlijke, hartelijke en treffend geformuleerde brieven, haar autobiografische schetsen, haar overwegingen over het leven en het schrijven, ze zijn allemaal even boeiend, helder, ongeposeerd en intelligent.

Maaike Meijer benadrukt meer dan eens dat Vasalis’ poëzie voor veel mensen zo herkenbaar was en is. Vasalis schreef over haar intiemste gevoelens met een precisie die die gevoelens weer algemeen geldig maakte. Waarbij intiem niet met ‘persoonlijk’ of ‘privé’ verward moet worden. Ik denk dat deze biografie bij velen dezelfde sensatie zal oproepen als de gedichten: alsof je iemand persoonlijk leert kennen. Mij verging het zo. Dankzij alles wat Meijer je geeft, krijg je het gevoel dat je een persoonlijke vriendschap sluit, dat ‘Kiek’ op een bepaalde manier van jou is. Meijer zelf is ook niet aan dat gevoel ontkomen, merk je hier en daar wel, hoe ze ook haar best doet om een kritische distantie tot haar onderwerp te bewaren. Vasalis, en ook Kiek Leenmans, is op een bepaalde manier hartveroverend.

Dat was ook haar kruis. Ze was hevig sociaal, graag verliefd dus, ze hield van discussies, van drank (jenever) en sigaretten, van flirten en dol doen, ze had een talent voor vriendschap. Ze

Vervolg op pagina 2

Het werd, het was, het is gedaan

was een intens familiemens die een benijdenswaardige band had met haar ouders, haar zus en haar kinderen. Dat kostte allemaal natuurlijk geweldig veel tijd. Daarnaast was ze ook arts, psychiater, later kinderpsychiater, werk dat ook veel tijd en aandacht vroeg. Dat ze als jonge vrouw met een eigen psychiatrische praktijk en kleine kinderen niet veel aan schrijven toekwam, verbaast niet. Toch schreef ze in die tijd het meest. Naarmate de kinderen ouder worden, schrijft ze minder.

Niet dat haar leven toen opmerkelijk veel rustiger werd, er waren bijna altijd mensen op bezoek, soms zoveel dat ze haar kinderen beval te duiken en zichzelf in een kast verstopte als ze weer een troepje bezoekers op haar voordeur af zag komen. Haar man, Jan Droogleever Fortuyn, hersenonderzoeker, heeft wel eens een juffrouw van de trap geplukt die op weg was naar de slaapkamer waar Kiek haar middagslaap hield – mensen wilden haar erg graag spreken. Meer dan goed voor haar was. Ze leefde in een bijna voortdurende staat van uitputting en dat is geen wonder met altijd maar die stroom mensen en daarbij een zwakke gezondheid.

Maar au fond – hoezeer zij ook als mens interessant lijkt en tot leven komt – gaat het daar niet om. Deze biografie is niet die van een interessante vrouw, maar van een dichter en wie haar leest doet dat om wijzer te worden over het werk. En dan niet op de platte manier van: kijk, dit vers gaat over haar vroeg gestorven zoontje, maar op een andere, diepgaandere manier. Je wilt meer weten over het hoe en waarom van haar werk, over wat ze nastreefde met haar poëzie, wat haar opvattingen over leven en kunst en het verband daartussen waren. Dat is belangwekkender dan hoe de vriendschap met deze of gene verliep. Daar zou hier en daar best iets weggelaten hebben kunnen worden, in het andere opzicht kan niets gemist worden.

Maaike Meijer ziet Vasalis’ werk, zoals ze al eerder betoogde, als in wezen mystieke poëzie, maar dan een mystiek zonder religie of metafysica. Dat is interessant. Ze geeft ook veel passages van Vasalis zelf over de soms overweldigende beleving van de natuur, de tijd, het in-leven-zijn. Vasalis had zulke ervaringen al als kind en kon er later, als jonge vrouw, ook met haar vader goed over praten. Hij had dezelfde ervaringen, maar wist er geen raad mee omdat ze hem op een of andere manier te metafysisch waren en zijn rationele wereldbeeld stond geen metafysica toe. Vasalis laat haar eigen ervaringen gewoon zijn wat ze zijn, zonder er een of andere ‘andere werkelijkheid’ bij te betrekken: ‘Bijna dagelijks, ’s morgens als ik loop met de hond & de weilanden wit zijn en elk grasje & halm berijpt denk – of ervaar ik, dat het iets betekent. Maar het betekent niets, alleen zichzelf.’

Ze erkent in zoverre een ‘andere wereld’ dat er indrukken, gevoelssensaties zijn die zich niet in woorden laten uitdrukken, maar die toch heel wezenlijk zijn. Het ontoereikende van de taal is een motief dat in haar poëzie nogal eens terugkeert, het woordloos zijn, stom zijn, niet kunnen spreken. Ze heeft een (onbruikbaar) libretto geschreven voor een opera die Rudolf Escher had moeten componeren over ‘De kleine zeemeermin’ – de kleine zeemeermin wordt haar stem ontnomen als ze op zoek gaat naar de liefde. In Vasalis’ libretto zingt de prins over de kleine zeemeermin: ‘Zij is dat deel van mij dat niet met woorden spreekt / dat kijkt, luistert, beweegt en met haar vingers tast / dat glimlacht en niet huilt, maar bloedt!’ Alles hieraan lijkt ook naar Vasalis’ verhouding tot haar dichterschap te verwijzen: een stom deel van zichzelf dat leeft en lijdt, maar heel soms toch tot zingen wordt gebracht – zoals de kleine zeemeermin aan het eind van haar libretto, als ze alles verloren heeft, toch weer doet.

Misschien klinkt dat geëxalteerd. Maar de verdienste van deze biografie is zeker ook dat ze duidelijk maakt dat Vasalis, onder de hartelijke, geestige, intelligente verschijning van Kiek Droogleever Fortuyn-Leenmans een bijna pijnlijk levende ziel was, vrijwel huidloos, overgevoelig voor alles wat ze zag en hoorde. Ze leefde – sommigen hebben dat nu eenmaal – met een gat in zichzelf, iets wat niet te stelpen was, hooguit op een of andere manier te vormen in poëzie.

Die moest dus echt zijn. Het verbluffendste wat ze daarover schreef, is misschien wel een interview met Hans Gomperts dat nooit heeft plaatsgevonden. De criticus Gomperts vroeg haar in 1962 voor een televisie-interview, maar Vasalis weigerde omdat ze, zoals ze in haar dagboek schreef, ‘geen een vraag eerlijk zou kunnen beantwoorden’. Maar ze stelde zich wel voor hoe zo’n interview zou gaan, en schreef het helemaal op.

Het werd pijnlijk openhartig en maakte duidelijk wat ze er bovenschreef ‘Waarom ik nooit een T.V. interview zou toestaan’.

G.: Al komt het niet zo duidelijk uit, ik geloof dat je jeugd een grote rol in je werk speelt.

Ik: De enige rol. Jeugd is voor mij het heden. Alles wat ik beleef is jeugd. Als ik niets beleef is het ouderdom. Herinneringen ook, als ze niet kers-vers zijn. Ik geef alleen om kers-vers.

G: Bedoel je, dat je alleen van nieuwe dingen houdt?

Ik: Ik houd helemaal niet van nieuwe dingen. Ik houd van oude dingen, van dingen die ik nieuw zie. Nieuwe dingen zie ik niet gauw, daar ben ik bang voor. Die ken ik niet. Oude dingen ken ik ook niet, als ik ze niet herken. Vroeger gebeurde alles vers, maar langzaam, zodat je eraan wennen kon.

G: ?

Ja, dat Gomperts het hier even niet meer volgt in Vasalis’ voorstelling is niet zo gek. Ze probeert iets uit te drukken wat voor haar van het grootste belang is: dat je indrukken levend en nieuw moeten zijn, kersvers, en dat kan alleen als je openstaat voor de wereld – als je verliefd bent min of meer. Verliefd op iemand, verliefd op het leven, in staat alles als ‘nieuw’ te zien. Maar dan moet je het wel kunnen zien, zoals een kind dat kan, zoals zij dat zelf kon als kind. Met het ouder worden verliest ze dat vermogen, ze is niet langer verliefd, ze kan niet meer schrijven. ‘Ik heb nu ’t gevoel, dat ik in een wachtkamer zit, mijn mantel maar niet uittrek’, zegt ze verderop in het interview. Ze zegt ook: ‘Ik kom nog maar incidenteel voor.’ Ze is er niet meer, ze is iemand die wacht, iemand die geen ‘onmiddellijke werkelijkheidsbeleving’ meer heeft, zoals Meijer schrijft.

Af en toe komt dat nog wel eens terug – op haar sterfbed, bijvoorbeeld, waar ze nog het indrukwekkende ‘Sub finem’ schrijft. Woorden voor een kersverse sensatie.

En nu nog maar alleen

het lichaam los te laten –

de liefste en de kinderen te laten gaan

alleen nog maar het sterke licht

het rode, zuivere van de late zon

te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.

Het werd, het was, het is gedaan.

    • Marjoleine de Vos