Hoger sprong nog nooit een vlooienhit

Het beroemdste Nederlandse lied over een vlo is Vlooiencircus van het Cocktailtrio. Triolid Ad van der Gein (88) over het nummer uit 1965, toen Nederland nog één vlooientheater had.

Cocktail Trio. Drie mannen in grijs kostuum en vlinderdas, treden op in een zaaltje met het nummer: " Het Vlooiencircus ". Plaats onbekend, 1965.
Cocktail Trio. Drie mannen in grijs kostuum en vlinderdas, treden op in een zaaltje met het nummer: " Het Vlooiencircus ". Plaats onbekend, 1965.

Het begon met de stem van een spreekstalmeester die met quasi-Duitse tongval de volgende attractie annonceerde. „Hoogke-eertes Poeblikoem!” riep die stem. „Wai presentieren oens Vlooiencirkoes!” En vervolgens barstte het nummer los, op een almaar voortrazende huppeldeun die nauwelijks meer tot bedaren te brengen leek: „Tsjongejongejonge, wat een sprongen / tsjongejongejonge, wat een show / tsjongejongejonge, wat een sprongen / hoger sprong nog nooit een vlo...” Vlooiencircus dateert uit het voorjaar van 1965 en is dus al bijna een halve eeuw oud. Maar in ons collectieve geheugen van het populaire Nederlandse lied is het nog altijd onwrikbaar verankerd. Zelfs wie meent er nog nooit van te hebben gehoord, kent op zijn minst de allerlaatste woorden: „Die zien we nooit meer... terug!” Tot op de dag van vandaag wordt dat tekstje, meestal met een zacht roffeltje, in alle mogelijke situaties gebruikt. Terwijl het oorspronkelijk over een weggesprongen vlo ging.

Vlooiencircus is een van de grootste hits van het Cocktail Trio, dat vanaf eind jaren vijftig grossierde in kolderieke nummers als Batje vier („leve de man die het bier uitvond”), Kangaroe Eiland en Wie heeft de sleutel van de jukebox gezien? Het trio bestond uit de guitige zanger-gitarist Tonny More, de beweeglijke bassist Carel Alberts en de kordate pianist Ad van der Gein. Ze begonnen rond 1953 als vaste, dagelijkse attractie in het Amsterdamse café Place Pigalle, nadat een eerder trio van Van der Gein uiteen was gevallen: gitarist Bueno de Mesquita vond elders lucratiever emplooi en bassist-zanger Johnny Kraaykamp kwam wegens dronkenschap vaak niet opdagen. Kraaykamp was weliswaar geen meester op zijn bas („hij kon de voorkant niet van de achterkant onderscheiden”, zegt Van der Gein), maar zijn fratsen maakten alles goed. Als dit nieuwe trio even veel gekkigheid zou uithalen, wilde de cafébaas hen wel engageren.

Het Cocktail Trio floreerde mede door de teksten van André Meurs, een conferencier (hij noemde zich liever „aansmoezenier”) die originele nummers voor andere artiesten schreef en ook uiterst bedreven was in het bewerken van buitenlandse novelty hits – komische nummers van Amerikaanse en Australische afkomst. „Een komische tekst schrijven is vreselijk moeilijk, maar Meurs kon dat voortreffelijk”, aldus de intussen overleden Carel Alberts op de informatieve site die aan het trio is gewijd (www.hetcocktailtrio.nl). „Het gekke was: zelf was hij niet zo’n hele grappige man. Hij was een serieuze, intelligente man. Hij werd nog directeur bij de TROS. Maar hij kon een komisch lied schrijven waar ik dan van dacht: hoe krijgt de man het bij elkaar geprakkiseerd?”

Wie ooit met het idee van een nummer over het vlooiencircus is gekomen, kan de nu 88-jarige Ad van der Gein, de enige overlevende van het trio, zich na zo veel jaren niet meer herinneren. Wel weet hij nog dat hij samen met de Haagse liedjesmaker Hans Ninaber het melodietje heeft gecomponeerd. En ook doet het hem deugd dat het slotriedeltje van het lied nog zo vaak wordt gebruikt: „Dat hoor je de hele dag”.

Toen het werd gelanceerd, bestond er in Nederland nog maar één authentiek vlooientheater. Het werd gerund door de Haagse vlooientemmer Henry Dillen, wiens vader al voor de oorlog met een kermistheatertje vol kruipende, wandelende, karretjes trekkende en dansende diertjes was begonnen. Door de opkomst van de huiselijke hygiëne werd het vinden van de miniatuur-artiestjes echter steeds lastiger. In 1965, in hetzelfde jaar als de hit van het Cocktail Trio, plaatste Dillen advertenties in de kranten, waarin hij 1,50 gulden beloofde voor elke „mensenvlo” die hem te koop werd aangeboden. Maar het bleef een moeizame bezigheid om de omvang van zijn ensemble op peil te houden, zei hij destijds in het Leidsch Dagblad: „Als iemand mij vlooien stuurt, begin ik met eerst de mannetjes er uit te wippen. Ze zijn te zwak. Alleen de vrouwtjes zijn geschikt voor het werk. Maar het blijkt o zo vaak dat ik de diertjes in beschadigde toestand krijg. De poten zijn bijvoorbeeld vaak kapot. Tja, die komen natuurlijk ook niet voor het circuswerk in aanmerking”. Hij hield het vol tot 1975; toen verdween ook Nederlands laatste vlooientheater.

Ninaber en Van der Gein waren dermate tevreden met de muziek van Vlooiencircus, dat het Cocktail Trio in 1965 ook een instrumentale versie op de markt bracht, onder de montere titel Tiddeley Winks. Die versie werd een paar jaar later eveneens op de plaat gezet door de wereldberoemde, uit Trinidad afkomstige boogiewoogie-pianiste Winifred Atwell. Zij had toen echter haar hoogtijjaren al achter de rug, waardoor het nummer nooit een internationale hit is geworden. De site maakt bovendien melding van een plaatopname door Rita Corita, de zangeres van het verlokkende Koffie, lekker bakkie koffie: „Zij geeft er een eigen draai aan, maar een succes wordt het niet”.

Intussen zijn de auteursrechten van Vlooiencircus in handen van Coolwine Music, de muziekuitgeverij van popproducer Peter Koelewijn. Nog jaarlijks komt er een bedragje binnen, want het nummer heeft ook de laatste eeuwwisseling glorieus overleefd. Het is nog regelmatig in de originele versie te horen. Maar dat vindt Koelewijn niet genoeg. Hij heeft het al voorgelegd aan De Sjonnies en One Two Trio, twee feestorkestjes die het op hun repertoire zouden kunnen nemen. „Tot nu toe is het nog niet gelukt om het liedje opnieuw te laten opnemen”, zegt hij, „maar dat gaat ongetwijfeld lukken. Daarvoor is Vlooiencircus véél te leuk en gemakkelijk in een modern jasje te steken”.