Stilte na tijd van grootse plannen

Ruimtelijke ordening moet vooral worden overgelaten aan gemeenten en provincies.

Provincies kunnen hun eigen plannen ontwikkelen, maar geld is er niet.

Ooit stond Nederland internationaal bekend als het land van de strakke ruimtelijke planning. Ministeries maakten vaste regels voor de grote Vinexwijken. Ook regisseerde het Rijk de stadsvernieuwing in steden, en bepaalde het welke wel en welke niet mochten groeien.

Die tijd is voorbij. Er waait een uiterst liberale wind door de ruimtelijke ordening. Vorige kabinetten waren al begonnen om het indelen en bebouwen van stad en land over te laten aan provincies en gemeenten. Tegelijkertijd werd meer samenwerking gezocht met projectontwikkelaars.

En nu zet het kabinet-Rutte deze lijn krachtig door. Minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu, VVD) wil de ruimtelijke ordening liever zo veel mogelijk overlaten aan provincies en gemeenten.

„Ik geef provincies vrijheid om te bouwen wat ze willen. Ze zitten niet meer vast aan een of andere contour die het Rijk heeft vastgelegd”, zegt de minister. „Ik vertrouw erop dat provincies dat goed kunnen. Zij kennen de regionale en lokale omstandigheden.”

Dat de decentralisatie gepaard gaat met bezuinigingen, maakt deze voor de minister extra aantrekkelijk. Schultz van Haegen: „Het geld is er niet. Maar de provincies kunnen wel hun eigen plannen ontwikkelen. Dit kabinet wil dingen mogelijk maken.”

Het Rijk moet zich alleen „focussen” op projecten die van grote economische betekenis zijn voor het land, zegt de minister. „Wij moeten als Rijk kijken naar waar de meeste mensen zitten en daar de infrastructuur verzorgen, zoals in Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven. Ik denk aan grote projecten zoals de Zuidas in Amsterdam of de groei van Almere.”

Als voorbeeld van de nieuwe lijn noemt Schultz van Haegen de inrichting en het beheer van de twintig nationale landschappen. Dat wil zij voortaan volledig overlaten aan de provincies. Vorige kabinetten wezen twintig nationale landschappen aan, gebieden met een landschappelijke en cultuurhistorische waarde zoals de Hoekse Waard, de Stelling van Amsterdam en het Groene Hart. Het zijn gebieden – niet te verwarren met nationale parken – waar bebouwing beperkt is toegestaan.

„Dit kabinet wil decentraliseren. Het beheer van nationale landschappen vind ik geen rijkstaak. Ik wil daar een discussie over beginnen”, zegt Schultz van Haegen. Toch denkt ze zelf nog wel na over het Groene Hart. „We moeten daar goed kijken welke delen echt van Europees belang zijn. De randen vallen er niet onder. Daar zou kleinschalige woningbouw mogelijk zijn.”

De minister zegt provincies, gemeenten, ontwikkelaars en bouwers te hulp te willen schieten, nu door de economische malaise weinig wordt gebouwd. Ze wil de als tijdelijk bedoelde Crisis- en Herstelwet van de vorige premier Balkenende permanent maken.

Die wet beperkt onder meer momenten van inspraak en verkort procedures. Ze wil het „kreupelhout van regels en procedures” kappen en één zogenoemd Raamwerk voor het Omgevingsrecht instellen die een einde maakt aan „versnippering en verwarring”, maakte ze onlangs bekend op een congres over gebiedsontwikkeling.

Bouwen kan veel sneller en simpeler, zegt de minister. „Stel u wilt bouwen in afwijking van een bestemmingsplan. Nu staat daar een gemeentelijke procedure van een half jaar voor. Ik ga daar acht weken van maken”, belooft ze. „Er zijn soms wel vijfendertig momenten van inspraak. Goed bedoeld, maar het wordt dan wel een hele klus om iets voor elkaar te krijgen.”

Provincies en gemeenten zijn over het algemeen blij met de vereenvoudiging van voorschriften. Ook projectontwikkelaars snakken naar minder regels, vooral door de economische crisis. „De ontwikkelbranche heeft 30 tot 40 procent van z’n mensen ontslagen”, zegt Friso de Zeeuw, praktijkhoogleraar gebiedsontwikkeling aan de TU Delft en directeur nieuwe markten bij Bouwfonds. De Zeeuw maakte samen met andere wetenschappers en praktijkdeskundigen een ‘actieplan’ om in krappe tijden toch te kunnen bouwen.

Plannenmakers zouden veel meer rekening moeten houden met de wensen van de consument. Die wil graag huizen met warme materialen, herkenbare architectuur en ruimte. De Zeeuw: „Als je nu nog appartementen bouwt zonder buitenruimte, moet je naar een tuigdorp voor ontwerpers.”

De tijd van grootste plannen om regio’s een economische impuls te geven is voorbij. Werden de aanleg van een groot meer met woningen in het Noord-Hollandse Wieringen en de nieuwe wijk Blauwe Stad in Groningen door vorige kabinetten nog gekroond tot iconen van gebiedsontwikkeling. Nu is het er stil. De Zeeuw: „Je kunt als plannenmaker beter niet tegen de trend in bouwen. Versterk het sterke en erken de verschillen tussen groeiregio’s en krimpgebieden. Go with the flow”, zegt hij.

Traditioneel is de vraag of provincies en gemeenten wel over voldoende kennis beschikken om de ruimtelijke ordening ter hand te nemen, en samen te werken met projectontwikkelaars.

De Zeeuw: „Er bestaat nogal wat scepsis of provincies de ruimtelijke ordening wel aankunnen. Maar het Rijk doet het niet beter. Het Rijk was succesvol met heldere projecten waar geld voor was: stadsvernieuwing en groeikernenbeleid, en ook het Vinex-beleid. Het Rijk kan zich nu beter beperken tot gerichte programma’s. Ik vertrouw het de provincies wel toe. Maar ze moeten er wel meer werk van maken.”