De Egyptische opstand slaagde niet dankzij maar ondanks Facebook

REFILE - CORRECTING EDITION NUMBER TO 27th A woman uses a computer in the lounge area of the 27th Chaos Communication Congress (27C3) in Berlin, December 27, 2010. The annual four-day conference, organized by the Chaos Computer Club (CCC), offers lectures and workshops and attracts an international audience of hackers, scientists, artists, and utopians. REUTERS/Thomas Peter (GERMANY - Tags: SCI TECH)
REFILE - CORRECTING EDITION NUMBER TO 27th A woman uses a computer in the lounge area of the 27th Chaos Communication Congress (27C3) in Berlin, December 27, 2010. The annual four-day conference, organized by the Chaos Computer Club (CCC), offers lectures and workshops and attracts an international audience of hackers, scientists, artists, and utopians. REUTERS/Thomas Peter (GERMANY - Tags: SCI TECH) REUTERS

Auteur van ‘The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom’. Bekleedde de Yahoo!-leerstoel aan het Institute for the Freedom Study of Diplomacy aan Georgetown University en is nu gastdocent aan Stanford University. Ook schrijft hij een blog voor Foreign Policy.

Toen Hillary Clinton in januari 2010 haar eerste grote toespraak over de internetvrijheid hield, had ze nog weinig benul van WikiLeaks en van wat zich in Tunesië en Egypte zou gaan afspelen. Clinton verhief de internetvrijheid wel tot speerpunt van de Amerikaanse buitenlandse politiek, maar verschafte nauwelijks details over hoe dit nieuwe idealistische initiatief zich verhoudt tot de bestaande Realpolitik – die zo vaak stabiliteit boven vrijheid verkiest.

Het vervolg van Clinton op haar toespraak, onlangs uitgesproken op de George Washington-universiteit, was een poging in te spelen op de alom heersende opwinding over de rol van sociale media bij de jongste gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Ook probeerde zij de innerlijke tegenstrijdigheid te rijmen dat Amerika internetvrijheid naar het buitenland wil exporteren terwijl ze die in eigen land juist wil beperken, nu de Nationale Veiligheidsdienst NSA en het ministerie van Binnenlandse Veiligheid streven naar meer toezicht op de cyberspace.

Eerst het goede nieuws. Voorbij is het Koude Oorlogsbeeld van internet als een sneller en slanker netwerk van opgepompte faxapparaten. Wemelde de toespraak van Clinton in 2010 nog van de verwijzingen naar het ‘informatiegordijn dat over een groot deel van de wereld neerdaalt’, naar de Berlijnse Muur die door ‘virtuele muren’ werd vervangen en naar ‘virale video’s en blog posts die steeds meer de samizdat van onze tijd werden’, in haar jongste toespraak werden zulke banale clichés en historisch misplaatste metaforen vermeden.

Even ontnuchterend was de erkenning van Clinton dat het probleem van de internetcontrole ‘niet met een app’ is op te lossen. Het is weliswaar belangrijk om te blijven investeren in hulpmiddelen ter omzeiling van de censuur door autoritaire regeringen, maar de filtering van internet is maar één van de vele tools die ze in hun arsenaal hebben. Het is net zo belangrijk om een manier te vinden waarmee onafhankelijke uitgevers tegen cyberaanvallen en andere vormen van online intimidatie kunnen worden beschermd.

Goed nieuws is ook het terughoudende standpunt van het ministerie van Buitenlandse Zaken in de discussie over de vraag of internet een hulpmiddel is om mensen te bevrijden of te onderdrukken. (Clinton kenschetste deze discussie als ‘grotendeels zinloos’.) Het is duidelijk een werktuig tot allebei: de mate waarin internet bevrijdend of onderdrukkend is, hangt vaak af van de sociaal-politieke context – en niet van de individuele eigenschappen van een bepaalde internettechiek. Het is goed om te zien dat Hillary Clinton een redelijk evenwicht vindt tussen cyberutopisme en cyberpessimisme: ze kiest een cyberrealistische houding en behandelt internet zoals het is (en niet zoals we het graag zouden zien).

Het slechte nieuws is dat de toespraak van Clinton even belangrijk is voor de onderwerpen die ze vermeed. Deze omissies vertellen veel meer over de visie van de Amerikaanse regering (of het gebrek daaraan) op een complex onderwerp als de internetvrijheid.

Helaas werd er nauwelijks ingegaan op de rol die ook Amerikaanse bedrijven spelen bij de onderdrukking van de internetvrijheid. Het is vermoedelijk vrij pijnlijk voor Clinton dat Narus – een Amerikaans bedrijf dat inmiddels van Boeing is – Egypte de techniek heeft geleverd waarmee het internetgebruikers kon bespioneren. Of dat het ministerie van Buitenlandse Zaken nog maar twee maanden geleden een innovatieprijs toekende aan een ander Amerikaans bedrijf, Cisco, hoewel Cisco enkele hoofdbestanddelen leverde voor het draconische systeem waarmee China het net controleert.

Dan is er nog de netelige kwestie van onze groeiende afhankelijkheid van bedrijven als Facebook, Twitter en Google als aanbieders van de digitale infrastructuur die cyberactivisme mogelijk maakt. Clinton stelde terecht dat internet ‘de openbare ruimte van de 21ste eeuw’ is – maar voorlopig heeft die ruimte meer weg van een winkelcentrum dan van een speelplaats.

Wat opvalt aan de recente gebeurtenissen in Egypte en Tunesië is het feit dat deze opstanden niet plaatsvonden dankzij, maar ondanks Facebook, Twitter en Google. Hun diensten werden door activisten ter plaatse weliswaar op grote schaal gebruikt, maar de moedermaatschappijen hielden zich uitermate koest. Logisch, ze hebben allemaal mondiale zakelijke belangen en mikken op expansie in het buitenland. Wanneer ze als digitaal equivalent van de Voice of America zouden worden gezien, is dat een extra nadeel op belangrijke markten als Rusland of China.

We mogen niet verwachten dat deze bedrijven altijd de kant van de betogers kiezen, maar ze moeten wel tot meer verantwoord gedrag worden aangespoord. Zo heeft het bijvoorbeeld weinig nut dat de Amerikaanse overheid activisten de middelen verschaft om anoniem internet op te gaan, wanneer ze níet onder een pseudoniem diensten zoals Facebook mogen gebruiken.

De harde opstelling van Facebook inzake pseudoniemen leidt vaak tot merkwaardige toestanden: in december 2010 blokkeerde Facebook tijdelijk de account van de Russische oligarch Michail Chodorkovski, omdat hij de vereiste gescande kopie van zijn paspoort niet had opgestuurd – misschien niet zo eenvoudig om te e-mailen uit een Siberische gevangenis.

Toch zal wellicht moeten worden erkend dat de zwaarste beproeving voor de toekomst van de ‘agenda voor internetvrijheid’ binnen de Amerikaanse regering schuilt. Hoe geweldig het ook is dat zoveel jonge activisten het net voor hun protesten kunnen gebruiken, feit is wel dat ze het in te veel gevallen opnemen tegen dictators die de VS nu juist tientallen jaren hebben ondersteund. Daarmee zal Washington vaak in de onaangename positie belanden dat het Arabische bloggers leert zich te verzetten tegen een plaatselijke politiemacht die Washington zelf heeft bewapend en getraind.

Het is naïef om te denken dat de sociale netwerken van Amerikaanse makelij altijd machtiger zullen zijn dan het wapentuig uit de VS. In het ergste geval geeft het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken deze jeugdige activisten de valse hoop dat hun grieven zwaarder zullen wegen dan die van de pro-Amerikaanse dictators die Washington ondersteunt.

De juiste weg is om niet de steun aan de cyber-activisten, maar die aan hun tegenstanders stop te zetten. Maar het gevaar bestaat dat het streven van Washington om de internetvrijheid te bevorderen, als het zoveelste excuus zal dienen om af te zien van een herijking en herziening van de uiterst cynische Realpolitik waarop het Amerikaanse buitenlandbeleid berust.