Zwakte is provocerend

Ook oud-minister Donald Rumsfeld veegt zijn straatje schoon in zijn memoires. Toch zijn die onmisbaar voor wie geïnteresseerd is in Amerika, concludeert Menno de Galan.

A painting entitled "Picnic" by artist Muayad Muhsin, who was both inspired and enraged by a photo of Donald H. Rumsfeld slumped on an airplane seat with his army boots up in front of him, is displayed in Baghdad, Iraq Monday, June 5, 2006. The painting, which is expected to be unveiled at an exhibition in Baghdad next week, illustrates the simmering anger of Iraqis with the United States three years after it rid them of Saddam Hussein, whose ouster has been followed by an enduring wave of violence, sectarian tensions and crime. (AP Photo/Samir Mizban)
A painting entitled "Picnic" by artist Muayad Muhsin, who was both inspired and enraged by a photo of Donald H. Rumsfeld slumped on an airplane seat with his army boots up in front of him, is displayed in Baghdad, Iraq Monday, June 5, 2006. The painting, which is expected to be unveiled at an exhibition in Baghdad next week, illustrates the simmering anger of Iraqis with the United States three years after it rid them of Saddam Hussein, whose ouster has been followed by an enduring wave of violence, sectarian tensions and crime. (AP Photo/Samir Mizban) AP

Donald Rumsfeld: Known and Unknown. A Memoir. Sentinel, Penguin, 815 blz. €35,-

Donald Rumsfeld vergelijkt in Known and Unknown zijn beruchte memo’s aan medewerkers en ambtenaren twee keer met een sneeuwstorm. Geen toeval natuurlijk: Rummy’s snowflakes dwarrelden niet, maar sloegen zijn collega’s (figuurlijk) in het gezicht. Ze waren niet te ontwijken; talrijk, ijzig en meedogenloos.

Hij begon ermee, schrijft hij in zijn memoires, tijdens zijn dienstverband in de regering-Nixon, eind jaren zestig. Aanvankelijk heetten ze yellow perils. Onder diens opvolger Gerald Ford, toen Rumsfeld voor het eerst topfuncties bekleedde, veranderden ze van gele gevaren in sneeuwvlokken. Een kwestie van een andere kleur papier.

In kaal proza legt de voormalige minister van Defensie onder de presidenten Gerald Ford (1974-1977) en George W. Bush (2001-2009) functie en nut ervan uit: ‘Mondeling commentaar kan worden vergeten of een lage prioriteit krijgen. Met geschreven memo’s kon ik een taak uitdelen, een kopie houden, en vooruitgang traceren.’ Vertaling: zo kon hij achterhalen of zijn orders werden opgevolgd.

Ze blijken ook een andere functie te hebben gehad: ze dienden met terugwerkende kracht tot ruggesteun bij het schrijven van zijn herinneringen. Known and Unknown bevat honderden voetnoten en terzijdes waarin Rumsfeld citeert uit eigen werk. Daarbij gaat hij grondig te werk. Zo haalt hij een memo gericht aan zichzelf aan als bewijs dat hij tijdens de herdenkingsdienst van Richard Nixon op 17 april 1994 tegen zijn vrouw Joyce fluisterde dat hij de gestorven president ‘bijna kon zien glimlachen.’ Dat had de lezer ook wel zonder aantekening geloofd.

Rumsfeld was in 1988 even een Republikeinse kandidaat voor het presidentschap, maar zijn campagne kwam niet van de grond. Hij ontbeerde het charisma of de volkse uitstraling van de succesvolle kandidaat. Zijn kracht lag niet in het intieme contact met kiezers maar in het structureren en doorgronden van organisaties, het beheersen van informatiestromen, het torpederen van voorstellen, manipuleren van vergaderingen, in het monddood maken, verlammen of fileren van tegenstanders. Geen functionaris was bekwamer in het parkeren van collega’s op een permanent zijspoor. Afgebroken en gefnuikte carrières waren zijn specialiteit, zijn wapens een superieure intelligentie en een messcherp taalgebruik.

Hij kreeg even internationale bekendheid in de aanloop naar het begin van de oorlog tegen Irak (2002 -2003), toen hij als minister van Defensie onder president George W. Bush spraakmakende persconferenties hield. Maar het spreekgestoelte was niet zijn natuurlijke biotoop en de pers niet zijn publiek. Hij was een leeuw van de vergaderzaal, blonk uit in gesloten bijeenkomsten, in onderonsjes met presidenten en hun naaste medewerkers en staand achter zijn speciaal voor hem ontworpen bureau waar hij een aanzienlijk deel van zijn twaalf tot vijftien uur durende werkdagen doorbracht.

Zijn faam werd definitief gevestigd tijdens de zogeheten Halloween Massacre in het najaar van 1975, toen hij samen met zijn trouwe assistent en latere collega Dick Cheney het kabinet van president Ford zou hebben omgeploegd. In Known and Unknown ontkent hij overtuigend de architect van dit politieke bloedbad te zijn geweest.

Duidelijk is wel dat hij er blijvende vijanden aan overhield in de personen van George Herbert Walker Bush (die hoofd van de CIA werd en daarmee op een zijspoor belandde) en toenmalige vicepresident Nelson Rockefeller, die te horen kreeg dat hij na de verkiezingen niet hoefde terug te keren. De relatie met Rockefeller, een flamboyante en gematigde Republikein, wordt door Rumsfeld tot ‘de moeilijkste’ uit zijn loopbaan uitgeroepen. Diens grootste vergrijp: hij meende dat hij ‘een autonome factor’ was naast de president, die hij in plaats daarvan trouw had moeten dienen.

Luilak

Zijn terugkeer als minister van Defensie onder George W. Bush was een verrassing, ook voor hemzelf. Zijn band met de familie Bush was na 1975 niet bepaald warm meer, schrijft hij droog. En hij was al 68. Om eraan toe te voegen dat ‘het beeld’ dat de pers van Bush Jr. schetste de waarheid geweld aandeed. Bush leed niet aan een gebrek aan nieuwsgierigheid en hij was geen luilak, bleek tijdens hun eerste ontmoeting. Hij had bovendien ‘a toughness’ (onbuigzaamheid) over zich die Rumsfeld aansprak, een scherp contrast bovendien met zijn patricische vader.

Bush liet Rumsfeld ook weten niets te moeten hebben van het establishment van de Oostkust. Zijn opmerkingen vielen waarschijnlijk in goede aarde. Rumsfeld maakte de aanstaande president daarna deelgenoot van een van zijn gevleugelde uitdrukkingen (‘Rumsfeld’s Rules’): ‘Zwakte is provocerend’. ‘Een decennium van aarzeling en halve maatregelen had onze nationale veiligheid ondermijnd,’ voegde hij eraan toe.

(Hij spartelde desondanks nog even tegen. Toen Cheney hem belde met de mededeling dat de keuze op hem was gevallen, had Rumsfeld een tegenvoorstel klaar: waarom deed Cheney het niet zelf? Niets in de grondwet stond de combinatie van de functies van minister en vicepresident in de weg.)

De portretten van Condoleezza Rice (veiligheidsadviseur, later minister van Buitenlandse Zaken) en Colin Powell (minister van Buitenlandse Zaken) in Known and Unknown zijn weinig vleiend. Rice was volgens hem niet op haar taak berekend en Powell was te veel op zijn ministerie en de pers gericht in plaats van op de president en het landsbelang. Rumsfeld roemt vanzelfsprekend de rol van zijn geestverwant Cheney. Maar over diens relatie met de president is hij opvallend zwijgzaam. Hij suggereert zelfs dat Rice meer invloed had op Bush dan Cheney, een originele, maar verder niet uitgewerkte opvatting.

Paul Bremer, de leider van de Coalition Provisional Authority in Irak na de invasie, krijgt de schuld voor het slechte management van de oorlog na de val van Saddam Hussein in de schoenen geschoven. Bremer wordt met name verweten de overdracht aan een Iraaks regime te laat te hebben geregeld, waardoor de opstand kon uitdijen. De CIA liet na de kracht in te schatten van de Iraakse opstandelingen tegen de Amerikaanse strijdkrachten. De veiligheidsdienst had tevens te veel vertrouwen in het eigen oordeel over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak, voorafgaand aan de oorlog.

Hier had Rumsfeld overigens beter moeten weten. Columniste Maureen Dowd van The New York Times citeerde zondag uit een voorheen geheim document dat Rumsfeld op zijn eigen website heeft gezet – gedateerd 9 september 2002, een half jaar voor het begin van de oorlog – waarin zijn eigen legertop hem duidelijk maakt nauwelijks over accurate informatie te beschikken met betrekking tot massavernietigingswapens in Irak. Dat document had dossiervreter Rumsfeld niet mogen ontgaan.

Het feit dat hij de schuld voor het verloop van de oorlog van de hand wijst, is Rumsfeld in de Amerikaanse pers terecht op zware kritiek komen te staan. Desondanks is Known and Unknown een onmisbaar boek voor wie in de recente Amerikaanse politieke en militaire geschiedenis is geïnteresseerd. Rumsfeld is uitstekend in zijn beschrijving van de organisatiestructuur van de drie Republikeinse regeringen waar hij deel van uitmaakte. Zijn karaktertekeningen van Richard Nixon, Gerald Ford en George Bush zijn origineel en humoristisch. (Nixon raadde hem ooit aan zijn uilebril model jaren zeventig te vervangen door contactlenzen.)

Vietnam

Saai is het boek van ruim 800 bladzijden nooit. Sterker: in sommige opzichten had het zelfs uitgebreider mogen zijn. De grote veranderingen in de Republikeinse partij in de jaren zeventig en tachtig behandelt hij uiterst summier; de oorlog in Vietnam had volgens hem gewonnen kunnen worden maar hij legt niet uit hoe; neoconservatieven worden totaal genegeerd, in een regering waarin zij hun stempel drukten op het buitenlands beleid en prominent waren vertegenwoordigd op het ministerie van defensie.

Maar daar staan alinea’s als de volgende tegenover: ‘Rice was afkomstig uit de academische wereld. Ze was een verfijnde, evenwichtige en elegante verschijning. Voor mij gold dat zeker niet. Eens zaten Rice en ik samen tijdens een bijeenkomst van de NSC (National Security Council) en ik droeg een krijtstreeppak – waarschijnlijk een pak dat ik al bezat sinds de regering-Ford. Het pak was dusdanig afgedragen dat de krijtstrepen van de rechter pijp boven de knie versleten waren. Rice zag dat, fronste haar wenkbrauwen, en wees discreet naar mijn been.

Ik wierp een blik omlaag naar mijn pak, en zag voor het eerst dat er krijtstrepen misten. ‘Jeetje,’ fluisterde ik, glimlachend naar haar, ‘misschien kan Joyce [zijn vrouw; red.] ze weer aannaaien.’ Condi keek me met wijdopen ogen aan.’