Een heer van stand komt niet zelf naar de kletsbel

Lodewijk van Deyssel: Telephoonbriefjes. Voorgelezen door Arend Jan Heerma van Voss. 1 cd. Duur: 70 min. Rubinstein, €10,95****

Slechts drie keer belde Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm (Lodewijk van Deyssel, 1864-1952) rechtstreeks. Eenmaal in 1939, toen hij om ‘Haarlemmer Halletjes’ (koekjes) verlegen zat. Zijn aandeel in het te voeren gesprek had hij vooraf uitgeschreven, want een verzoek moest zorgvuldig zijn: ‘Faber, stuur mij, de heer Alberdingk Thijm, voor tien uur een blikje Haarlemmer Halletjes. Ik weet wel dat het zondag is, maar voor deze ene keer kun je wel eens van de regel afwijken.’ Ruim een jaar later beschrijft hij aan Mevrouw Mulder telefonisch de vele koekjes en pralines die bij haar thee geserveerd waren. Ze waren hem kennelijk goed bevallen want hij stelt voor op 30 december weer thee te drinken. Vijf dagen later belde hij weer: inmiddels was hij erachter gekomen dat hij niet tot de oorspronkelijk genodigden hoorde.

Alle overige telefoongesprekken liet hij voeren: een heer van stand sprak niet door zoiets banaals als een ‘kletsbel’. Hij schreef op een briefje wat een dienstbode door de telefoon moest zeggen. De zogenaamde ‘telephoonbriefjes’ trof biograaf Harry G.M. Prick aan in de nalatenschap van Lodewijk van Deyssel.

Veel ‘telephoonbriefjes’ gaan over eten en dat levert een opvallende kijk op zijn prioriteiten: op 10 mei 1940 liet hij doorgeven aan banketbakker Faber dat hij de verkeerde Droste repen bezorgd kreeg (19 stuk). Je mag hieruit, zo benadrukt Prick in zijn voorwoord, niet concluderen dat Alberdingk Thijm geen oog zou hebben voor andere gebeurtenissen op 10 mei 1940. Hij zou ‘geschreid’ hebben toen hij hoorde van de inval. Maar hij paste zich snel aan: op 12 december 1940 laat hij informeren welke gerechten hij extra kan krijgen nu alles op de bon is.

Volgens Alberdingk Thijm was de reden dat hij niet zelf telefoneerde trouwens praktisch: zijn gestel kon het niet aan: het tochtte bij de telefoon, zij het zo weinig dat de tocht ‘voor niemand anders hinderlijk is, maar de heer Thijm is soms wat warm en verhit, vandaar dat hij zich niet blootstelt aan de tocht.’ Maar goed dat het in dat halletje tochtte.

Toef Jaeger