De inflatie van de slechte gewoonten

Jean-Francois van Boxmeer kan er ook niet veel aan doen, want zelfs de topman van het machtige Heineken is soms een slaaf van de wereldmarkt. De prijs van grondstoffen voor bier gaat zo hard omhoog, zei hij woensdag, dat bier duurder wordt. Niet meer dan tien procent, voorspelde hij.

Wat Boxmeer zich waarschijnlijk niet heeft gerealiseerd, is dat zijn ingreep de inflatie in Nederland verhoogt met zo’n 0,2 procentpunt. Dat volgt uit een berekening op basis van bierprijzen in supermarkt en kroeg, de verhouding tussen uit- en thuisdrinken, de totale bierconsumptie en het gewicht daarvan in de consumptieve bestedingen.

Is de prijs van brood en rijst in veel landen op dit moment de lont in het kruitvat van het maatschappelijk ongenoegen, in Nederland was bier nog niet zo lang geleden de windvaan. De felle kritiek op de inflatiegolf na de invoering van de euro, en het ongeloof bij de burger dat die inflatie statistisch best meeviel, was terug te voeren op de schaamteloze prijsverhogingen van bier in de horeca. In 2001 en 2002 kwam er telkens 10 procent bovenop, en in tien jaar is de bierprijs gestegen van 1,28 euro tot bijna 2 euro – een prijs die overigens weinig cafégangers in de praktijk zullen tegenkomen. En daar komt binnenkort dus nog een procent of tien bij.

Even naar buiten stappen dan? Een andere slechte gewoonte, roken, wordt per 1 maart duurder door een hogere accijns, waar de sigarettenfabrikanten nog wat prijsstijgingen bovenop gooien. 40 tot 50 cent per standaardpakje komt er in totaal bij, waar overigens al lang geen 20 maar 19 sigaretten in zitten: een geniepige prijsverhoging met 5 procent. Ook de prijsstijging van tabak slaat per maart neer in een stijging van de inflatie met rond de 0,2 procentpunt.

Zo voegen roken en drinken samen 0,4 procentpunt toe aan de inflatie in een tijd die, wat de prijsstabiliteit betreft, al niet zonder risico’s is. Kijk naar de andere, recente, periode waarin de grondstoffenprijzen tot recordhoogte stegen: de zomer van 2008. Toen liep de Nederlandse inflatie op tot 3,2 procent. Daarna stortte door de kredietcrisis de markt volledig in, de recessie sloeg toe en de inflatie was een jaar later gedaald tot nog maar 0,2 procent. Maar vervolgens zijn de prijzen weer omhoog gekropen, tot 2 procent afgelopen januari.

De kans dat dit méér wordt is vrij groot. De prognose van december vorig jaar door het Centraal Planbureau dat de inflatie in 2011 gemiddeld 1,5 procent zal bedragen is twee maanden later al achterhaald. Maar het CPB waarschuwde al dat haar ramingen door alle turbulentie op de financiële markten met veel onzekerheden kampten. Inmiddels zijn de inflatieverwachtingen van het publiek weer even hoog als in de zomer van 2008.

Bij een verwachte contractloonstijging van 1,5 procent wordt het koopkrachtsverlies in 2011 waarschijnlijk veel groter dan de 0,25 procent die het kabinet heeft beloofd. Valt daar iets tegen te doen? Nee. Te hopen valt dat de grondstoffenpiek lijdt tot een eenmalige inflatiehobbel, die zich niet vastzet in blijvende prijsstijgingen. Want van de centrale banken valt weinig te verwachten. Zij kunnen hun rentes nog niet verhogen, door de fragiele financiële sector die nog nabeeft van de kredietcrisis. Of willen de centrale banken de rente niet verhogen? Dat zou dan te maken hebben met het wegwerken van nóg een slechte gewoonte: schuld.

Maarten Schinkel