Arabische Lente (2)

‘No no, we love our king very much” bezwoer Amin mij. Amin is een jonge, hippe twintiger die ik vorige week vrijdag ontmoette op een boekenbeurs in Casablanca. Ik was er om de Arabische vertaling van het feuilleton Driss Tafersiti te promoten, Amin was daar in de hoedanigheid van publiciteitsmedewerker.

Twee uur eerder sijpelde het nieuws binnen dat Mubarak dan eindelijk was afgetreden. Het Tahrirplein, vorige week nog een bloedig slagveld, was nu het terrein voor een uitzinnig volksfeest. De vraag of de Arabische Lente ook Marokko zou aandoen, was nu urgenter dan ooit.

„Yes, there is a lot of corruption in Morocco” zei Amin. „We will have to do something about it, but we won’t revolt like in Egypt or Tunisia. We don’t want to topple the monarchy.”

Amin en ik spraken in het Engels omdat ik het Arabisch helaas niet machtig ben.

Een Marokkaan in Marokko die Engels spreekt – het vervreemdende effect dat dit had op mijn toehoorders bij lezingen en interviews, uitte zich in meewarrige blikken en strenge vragen als: „You are Moroccan or not?” Afgezien van de gekwetste nationalistische eergevoelens die er in doorklinken, is het geen onzinnige vraag.

Ik ben weliswaar in het land geboren, maar de geleefde werkelijkheid in Marokko is niet de mijne. Dit besef werd sterker naarmate ik meer mensen sprak die allesbehalve een massale volksopstand in het land willen hebben. Ik wens ze een bestorming van de Bastille toe, maar zij verkiezen de weg van geleidelijkheid boven de radicale omwenteling.

„In time the Moroccan parlement wil gain more power, and the king will have a more symbolic function, just like Spain” zei Amin.

We hadden het gesprek verplaatst van de boekenbeurs naar de lobby van een 5-sterrenhotel waar we ons stortten op een overdadig buffet. Het bedienend personeel bestond uit grimmig kijkende jongens en meisjes, die – het kan inbeelding zijn geweest – met minachting bezagen hoe al die rijke westerlingen en elitaire Marokkanen zich volpropten met voedsel en drank waar zij een maand voor krom zouden moeten liggen.

„De Facebook-groep die oproept om op 20 februari de straat op te gaan, bestaat voor een groot deel uit Marokkanen in Europa” zei Jos van Aggelen, Nederlandse ambassadeur te Rabat, die ook op de receptie aanwezig was. Een Marokkaanse journalist vulde hem aan: „De Marokkaanse diaspora lijdt aan wensdenken: zij willen op Al Jazeera kunnen zien hoe de Marokkanen de straat opgaan, zoals de Tunesiërs en Egyptenaren dat deden.”

Een grootscheepse revolutie zal waarschijnlijk niet plaatsvinden, maar zowel de heer Van Aggelen als de Marokkaanse journalist beaamden dat het broeit in de Marokkaanse samenleving. De armoede, de corruptie en de gefrustreerde werkeloze jeugd – het is klassieke receptuur voor een tikkende tijdbom.

Nogmaals, het kan inbeelding zijn geweest, maar ook de volgende dag, tijdens een wandeling door de medina, meende ik een flinke ingehouden woede te ontwaren in de blikken van de jonge, werkeloze mannen die de terrasjes bevolkten. Andere jongemannen hadden zich om de kranten bij krantenkiosken verzameld en lazen de moddervette koppen die over Mubaraks aftreden berichtten.

20 februari is de dag dat deze jongens de toorts over zouden moeten nemen van Egypte. Wensdenkend zie ik ze het Mohammed V-plein in Casablanca veranderen in het Marokkaanse Tahrirplein. Maar of dit ook zal of moet gebeuren, gaat uiteindelijk alleen hen aan, niet mij.

Hassan Bahara is auteur en schrijft een tweewekelijkse column. Hij schreef in 2009 met Asis Aynan voor de Achterpagina het feuilleton ‘Driss’ over een Marokkaanse gastarbeider in Nederland.