Stralend geel Van Gogh nu bruine smurrie

Onderzoekers hebben bij een verfkorrel van een schilderij van Vincent van Gogh ontdekt hoe geel verandert in bruin. Het verouderingsproces lijkt onomkeerbaar.

Drie versies van 'Oever van de Seine' van Vincent van Gogh. Links een schatting van hoe het er in 1887 uitzag, midden hoe het doek nu is (met een korrel uitgelicht), en rechts hoe het in 2050 kan zijn.
Drie versies van 'Oever van de Seine' van Vincent van Gogh. Links een schatting van hoe het er in 1887 uitzag, midden hoe het doek nu is (met een korrel uitgelicht), en rechts hoe het in 2050 kan zijn.

Schilderijen leven. „Vroeger was het idee dat olieverf uithardt en dat schilderijen daarna min of meer statisch zijn”, zegt Ella Hendriks, hoofd restauratie bij het Van Gogh Museum in Amsterdam. Maar zo is het niet. „Technisch onderzoek laat zien: schilderijen veranderen. Verouderen. En dat stopt niet.”

Twee minuscule verfkorreltjes weggenomen uit twee schilderijen van Van Gogh zijn het nieuwste bewijs daarvan. Het stralend geel, een van de kleuren die Van Gogh zo beroemd maakte, is aan het oppervlak veranderd in een bruinige smurrie. Als deze korrels representatief zijn voor de bijbehorende doeken – Oever van de Seine (1887), en Veld met bloemen bij Arles (1888) – dan ziet de museumbezoeker heel andere kleurschakeringen dan tijdgenoten van Van Gogh. Voor hun kleinkinderen zullen de werken weer anders ogen.

De korreltjes werden onderzocht door onderzoekers onder leiding van Koen Janssens, hoogleraar aan de Universiteit van Antwerpen. Samen met Joris Dik, hoogleraar aan de TU Delft, analyseerde hij eerst de verf uit drie overgeschoten oude verftubes.

Dik en Janssens gaven verf uit de een eeuw oude tubes een ‘zonnebad’ van 500 uur onder een ultravioletlamp. Zo bootsten ze het effect na van ruim een eeuw blootstelling aan licht. Verf uit een van de oude tubes verouderde snel. Na drie weken was het heldere chroomgeel tot een chocoladebruine pasta verworden.

Dik: „Met verder onderzoek, onder andere bij nagemaakte verfmengsels, konden we een vervalsproces vaststellen. Daarin reduceert loodchromaat, dat voor de helder gele kleur zorgt, tot donkergroen chroomoxide. Met het geel en wit dat nog in de verf zit, geeft dat een bruine gloed.”

Grote vraag was: gebeurt zoiets in de schilderijen van Van Gogh? „We merken het natuurlijk op bij schilderijen uit de collectie”, zegt Hendriks van het Van Gogh Museum, „sommige lijken te verkleuren, anderen niet. En soms zien we dat de kleuren aan de randen van het schilderij, normaal gesproken verborgen onder de lijst, veel helderder zijn gebleven. En ja, komt dat dan doordat het vernis bruin is verkleurd? Zijn er lagen vuil achtergebleven? Of is er iets anders aan de hand?”

Om dat uit te maken werden twee verfkorreltjes naar Grenoble gebracht. Het korreltje uit Gezicht op Arles was nog overgebleven van een onderzoek uit 1932. Het korreltje uit Oever van de Seine haalde Hendriks zelf weg tijdens een restauratie. Hendriks: „Uit de rand van een beschadiging. Het vernis was al verwijderd. Niemand die het met het blote oog opmerkt.”

De eindbestemming in Grenoble was de European Synchrotron Radiation Facility – een cirkelvormige deeltjesversneller die potlooddunne en intense bundels röntgenstralen levert. Die brachten de dwarsdoorsnede van de korreltjes tot op de micrometer in kaart. Uitvergroot lijken het wel taartjes: een laagje gele vla met koffieglazuur erop. En als die bruin ‘geglazuurde’ korreltjes inderdaad weergeven wat op de schilderijen gebeurt, dan zijn de begroeide oevers, het zonlicht op het water en de korenvelden langzamerhand bruiner geworden – en worden ze dat nog steeds.

Is daar wat aan te doen? Nee, zegt Hendriks van het Van Gogh Museum. Vergeeld vernis, een andere beruchte oorzaak van verkleuring, kan worden verwijderd. Maar dit probleem zit in de olieverf zelf. „Ultraviolet licht, dat de veroudering bevordert, wordt in moderne musea allemaal al weg gefilterd. We tonen de doeken onder gecontroleerde omstandigheden om hun status quo zo goed mogelijk te handhaven. Veel meer kunnen we vooralsnog niet doen. De veroudering écht stoppen gaat niet.”

Dik bekijkt het anders. „Restauratoren zeggen: Werken verouderen, soit. Zij moeten de doeken nu eenmaal aan het publiek tonen en ze daarmee aan omgevingsinvloeden blootstellen. Maar ja, ik ben een Delftenaar. Nu we de ernst van de situatie kennen, wil ik tóch kijken of we er iets tegen kunnen doen.”

Wat? „Een beetje wilde gedachte is een zelfhelend materiaal ontwikkelen. Een coating met eigenschappen die precies zo zijn afgesteld dat ze het verouderingsproces vertragen.”

Dat zal, geeft Dik toe, nog veel onderzoek vergen, en huiver opwekken bij restauratoren.

In de tussentijd is er nog een derde weg(getje): de oorspronkelijke kleuren, onder de aangetaste oppervlakte, zo goed mogelijk reconstrueren en digitaal vastleggen. „Maar ja”, zegt restaurateur Hendriks, „dat blijft grotendeels speculatief.”