Ook universiteit schuldig aan slechte student

Marcel Canoy klaagt over tekortschietende studenten als ‘meneer Spierings’, maar de universiteit kan moeilijk anders dan Spierings hoe dan ook zijn diploma geven, vindt Leo Prick.

Onlangs beschreef Marcel Canoy, hoogleraar economie in Tilburg, zijn ervaringen met een student die hij voor die gelegenheid het pseudoniem ‘meneer Spierings’ had meegegeven (Opinie, 8 februari). Spierings kwam bij hem met een scriptievoorstel dat op het eerste gezicht redelijk oogde, maar al gauw bleek Spierings een warhoofd. De eerste uitwerking was een onbegrijpelijke brij. Zijn Engels was zo tenenkrommend dat zelfs Canoys veertienjarige dochter het lachwekkend vond. Gaandeweg wordt duidelijk, aldus Canoy, dat Spierings wel ijverig is, maar weinig snapt van de literatuur en geen enkele basiskennis heeft over economie. „Hij kan ook helemaal niet schrijven.” Voor Canoy vormt deze ervaring reden voor een „hoeraatje” voor het intakegesprek. „Als zoiets al eerder had bestaan, zou ik meneer Spierings waarschijnlijk nooit hebben ontmoet voor een scriptie.”

Dat is een wonderlijke conclusie. Een scriptie is niet het begin, maar veeleer het slotstuk van een studie. Meneer Spierings is dus een ouderejaarsstudent, van wie pas na een paar jaar studie wordt ontdekt dat hij volstrekt ongeschikt is voor een universitaire opleiding. Dat moet je niet hem, maar de universiteit verwijten. Een intakegesprek kan toch moeilijk meer informatie opleveren dan een paar jaar ervaring met hem als student?

De late ontdekking van zijn cruciale tekortkomingen illustreert niet alleen het onpersoonlijke karakter van de opleiding, maar ook het ontbreken van elementen die uitwijzen of iemand voor die studie wel geschikt is. Dat laatste is hard nodig. Dat moeten ze toch ook in Tilburg weten. Sinds jaar en dag klagen universiteiten, althans bepaalde studies, over het kennisniveau van studenten.

Dat sommige studenten ernstige tekorten vertonen, is niet verwonderlijk. Je kunt niet alleen met vwo, maar ook met een hbo-propedeuse naar de universiteit. In veel gevallen hebben deze hbo-studenten mbo als vooropleiding. Studenten met een hbo-propedeuse hebben niet alleen een veel smallere basis, maar ook een lager niveau. Hun studieresultaten blijven mijlenver achter bij die van vwo-studenten.

Ik kan me niet voorstellen dat iemand met een vwo-opleiding – waar Engels een verplicht examenvak is – deze taal zo beroerd beheerst dat een veertienjarige dat lachwekkend vindt. Meneer Spierings is dus vermoedelijk via een andere weg de universiteit binnengestapt.

Universiteiten hebben de mogelijkheid om voor bepaalde studies specifieke eisen te stellen. Ze hebben ook het recht op een selectieve propedeuse. Als universiteiten de instrumenten waarover ze nu beschikken ongebruikt laten en pas aan het eind van de studie ontdekken dat iemand de basis mist voor succesvol studeren, is er iets goed mis met de inrichting van de studie en de begeleiding van studenten.

Nu zij het eenmaal zo ver heeft laten komen, kan de universiteit moeilijk anders dan Spierings hoe dan ook zijn diploma bezorgen.

De lotgevallen van meneer Spierings vormen niet, zoals Canoy ons wil doen geloven, een treffende illustratie van de tekortkomingen van studenten, maar van een ernstig falen van een universiteit.

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad.