Ook kankercellen kunnen mooi zijn

Net zoals in de natuur en in de kunst is er ook in de wetenschap schoonheid.

Het Boijmans toont druppels, dieren, cellen, planeten en sterrenstelsels.

In augustus 1674 zag Antoni van Leeuwenhoek de Berkelse meren, een tweelingmeer tussen Delft en Rotterdam. Hij moet de lucht hebben gezien, andere boten, bomen, een koe op een oever; je kunt je er een voorstelling van maken als je aan schilderijen uit zijn eeuw denkt, van Albert Cuyp of Jacob van Ruisdael.

Van Leeuwenhoek zag nog meer: uit de Berkelse Meren haalde hij het water waarin hij thuis onder de microscoop kleine ‘dierkens’ zag bewegen, „‘t was wonderbaarlijk om te zien”, schreef hij in een van zijn brieven aan de Royal Society in Londen. Later huurde Van Leeuwenhoek een tekenaar in om alles wat hij zag vast te leggen. Die tekenaar was soms zo verbaasd over wat hij zag dat hij vergat te tekenen. Geen wezen ooit geschilderd of zelfs maar bedacht bewoog zo grappig, zo ingenieus, zo onverwacht als de dierkens die Van Leeuwenhoek met zijn lens zichtbaar wist te maken.

Meer dan drie eeuwen later zijn wij wel gewend om dierkens en dingen te zien waar het menselijk oog niet scherp genoeg voor is. We kunnen door onze huid heen kijken, en zelfs door de celwand van een huidcel, enzovoort, kleiner en groter dan het oog van elk dier kan waarnemen. En het is nog net zo wonderbaarlijk om te zien als in de tijd van Van Leeuwenhoek.

Zou je die dierkens en dingen, die planeten en sterrenstelsels ook mooi kunnen noemen? Ze zijn vanaf dit weekeinde in ieder geval te zien op een tentoonstelling in museum Boijmans Van Beuningen. Directeur Sjarel Ex en emeritus hoogleraar humane genetica Hans Galjaard stelden een tentoonstelling samen die bijvoorbeeld een ‘druppel zwevend op zijn eigen damplaag op een gloeiende plaat’ laat zien, en ‘knal, lichtflits en schokgolf als garnaal schaarhelften sluit en prooi verdooft’, en ‘de geboorte van een stamcel uit embryonaal endotheel van de aorta’, of ‘cel afweersysteem valt vreemde cel aan’. Geen titels die je in een museum voor beeldende kunst snel aan zult treffen. En toch is het alsof op de tentoonstelling Schoonheid in de wetenschap werk hangt van Georgia O’Keeffe en Jackson Pollock, van Kandinsky en Kusama, van Ad Dekkers en Hans Arp, van Mark Rothko en James Rosenquist en Len Lye.

„Sjarel Ex speelt dat spelletje ook altijd”, zegt Hans Galjaard als hij me op de tentoonstelling in wording rondleidt. De schilderijen van deze abstracte meesters lijken in ieder geval meer op wat Van Leeuwenhoek en zijn opvolgers onder hun microscopen en telescopen zagen dan de schilderijen uit diens eigen tijd.

Hoe kan dat? De voor de hand liggend optie is dat het toeval is. De meeste kunstenaars kijken niet door microscopen en turen niet naar de sterren. In wetenschap zijn ze lang niet allemaal geïnteresseerd. De evolutietheorie heeft bijvoorbeeld bar weinig kunst beïnvloed.

Schoonheid is een ruimere categorie dan kunst. Iedereen kust liever een mooie man dan een lelijke. Volgens sommige wetenschappers bestaat er universele schoonheid. Om mooi gevonden te worden, moeten schilderijen, vrouwen, planeten en bacteriën allemaal voldoen aan dezelfde eisen van symmetrie en harmonie. De verhoudingen moeten kloppen. De reden dat er in musea doorgaans toch geen vrouwen, bacteriën of planeten tentoongesteld worden, is dat die niet door mensen gemaakt worden. En foto’s en films daarvan komen weer alleen het museum in als de mensen die ze gemaakt hebben kunstenaars zijn.

De status van schoonheid buiten de kunst is de afgelopen eeuwen in sommige opzichten onzekerder geworden. In de inleiding van een boek met brieven van Van Leeuwenhoek wordt bijvoorbeeld het volgende gedicht van Jacob Cats geciteerd: ‘Wanneer je schone dingen ziet/ vergaap je aan het schouwspel niet/ Ook wil daar niet op blijven staan/ Maar laat uw zinnen verder gaan/ en klimt, o lieve, klimt omhoog,/ en met de geest en met het oog,/ en zie dat gij tot hem geraakt/ die al wat schoon is heeft gemaakt.’ Als er daarboven niemand meer is, waar moet je dan naartoe klimmen?

Hans Galjaard raakte ooit ontroerd door de schoonheid van een echo van een embryo van zes weken, gemaakt door echopionier Stuart Campbell. Toen hij dat hoorde, vroeg Sjarel Ex zich af of meer wetenschappers zo’n ‘Stendhal-moment’ kennen. Galjaard legde de vraag voor aan tientallen wetenschappers. „Het bleek wel mee te vallen met dat Stendhal-moment”, zegt hij. Wetenschappers hebben het daar te druk voor. Hij kreeg zelf ook pas oog voor schoonheid toen hij met werken gestopt was.

Toch vond Galjaard bij bijna elk instituut, waaronder het Instituut voor Nanotechnologie van de TU Delft, de afdeling moleculaire celbiologie van het Leids Universitair Medisch Centrum, het Nationaal Herbarium, en het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen een of twee mensen bereid naar schoonheid te zoeken. Een aantal bekende wetenschappers deed mee, onder wie Vincent Icke, Robbert Dijkgraaf, en Cees Dekker. Er zitten ook foto’s bij van één kunstenaar, Wim van Egmond, oprichter van het Micropolitan Museum op Internet. Zou het toeval zijn dat juist een foto van hem, van sieralgen, op de affiches en uitnodigingen staat?

Volgens Galjaard zou het wel goed zijn als wetenschappers eerder in hun carrière meer oog kregen voor schoonheid. Zou er niet al vroeg in het onderwijs veel meer aandacht aan moeten worden besteed? ‘Als jongeren al vroeg het belang van die kant van het leven leren inzien, zijn er op volwassen leeftijd meer alternatieven dan nu’, schrijft hij in de gids van de tentoonstelling. „Ik heb er Beatrix een brief over geschreven”, zegt hij terwijl we kijken naar zand dat door ultrageluid steeds van vorm verandert. Galjaard beseft dat schoonheid ook een moreel argument kan zijn. Als je zo’n mooie jonge foetus ziet, wat doet dat met je opvatting over abortus? Doet schoonheid er altijd toe? Ook een kankercel kan mooi zijn.

Er is volgens Galjaard schoonheid in de natuur, in kunst en cultuur, en „zelfs” in de wetenschap. Is het dezelfde schoonheid? Wanneer is iets mooi? Goede vraag, zegt Galjaard. Hij heeft er geen antwoord op. Komt schoonheid altijd uit dezelfde bron? Ooit zag ik in een Russisch museum Russische ruimtepakken uit de vroege jaren zestig en het ontwerp was ook te herkennen als komend uit die tijd, alsof er geheimzinnige krachten bestaan die wereldwijd een decennium vormgeven. Een vorm van culturele evolutie. Zelfs aan het eerste DNA-model van Watson en Crick lijk je te kunnen zien dat het in 1953 is gemaakt. De dunne pootjes van vlinderstoelen en bijzettafeltjes wellen op uit het geheugen. ‘De keuzes, in de wetenschap niet minder dan in vormgeving, behelzen enorm complexe permutaties van nut, technologie en (vaak onbedoeld) esthetiek’, schrijft Martin Kemp in Visualizations, The Nature Book of Art and Science.

Sjarel Ex wilde liever geen foto’s van modellen in het museum, vertelt Galjaard. „Alles moest echt zijn.” Maar wat is echt? De beelden die wetenschappers maken kunnen net zo gemanipuleerd zijn als die van kunstenaars. De opnames van het heelal van de Hubble-telescoop zijn geen fraai gekleurde foto’s. Het zijn om te beginnen geen foto’s, maar opnames van licht die via een andere techniek tot stand komen. Aan de zwart-witbeelden wordt later kleur toegevoegd. Soms is dat geen realistische kleur maar kleur om iets te verduidelijken of wordt met kleuren die het menselijk oog wel kan zien voor ons onzichtbare kleur weergegeven, zoals infrarood en ultraviolet. De kleur op een Hubble-plaat is „gelijke delen kunst en wetenschap”, zegt de Hubble website.

Ook bij beelden van de studie van het allerkleinste, de nanowetenschap, is kleur mensenwerk. De Amerikaanse scheikundige Roald Hoffmann (Nobelprijs in 1981) schrijft in een fotoboek over nanotechnologie dat ook hier de kleuren achteraf worden toegevoegd en dat de meeste softwarepakketten waarmee wetenschappers dat doen alleen over lelijke felle kleuren beschikken. „Het is treurig dat de uitkomst van een geraffineerd experiment lijkt op het omslag van een sciencefictionromannetje.” Ook volgens Hoffmann worden wetenschappers beïnvloed door de kunst die ze kennen, bewust of onbewust. „We zijn ‘connaisseurs van chaos’, patroonzoekers. Dus zoeken we naar gelijkenissen met dingen in onze ervaring, met andere kunst waar we naar gekeken hebben. All the associative power of linked human neural pathways is set loose.”

De beelden die op de tentoonstelling hangen, zijn door een paar ballotages gekomen. Ze werden geselecteerd door wetenschappers, vervolgens werd daar weer uit gekozen door Galjaard en Ex en dan kon ook nog Lies Ros, de vormgeefster van de tentoonstelling, haar voor- en afkeur laten blijken. Achthonderd foto’s en films zijn er nu te zien. Ze tonen bijna allemaal wat het menselijk oog niet vanzelf kan zien. Vaak is de enige reactie op zulke beelden een langgerekt ooh. Op deze expositie word je uitgedaagd verder te denken. Dat is de grootste verdienste. De expositie vraagt om een vervolg; een tentoonstelling van hedendaagse kunstenaars die nieuwe wetenschappelijke inzichten en technieken gebruiken. Zouden zij andere schoonheid in de wetenschap zichtbaar weten te maken. Nieuwe schoonheid?

De Berkelse meren bestaan niet meer. Er is geen standbeeld, geen mijlpaal op de plek waar Van Leeuwenhoek de grenzen van het menselijk oog begon te slechten. De meren zijn al lang geleden ingepolderd, weiland nu, of nieuwbouwwijk. Op schilderijen van Cuyp en Ruisdael lijkt het hier niet meer. Maar de Berkelse plas bevat vast wel dierkens zoals Van Leeuwenhoek ze zag, die ook nu op allerlei manieren moeten bewegen, naar boven en naar beneden en in het rond. Ook zonder microscoop bij de hand, ook zonder visueel bewijs, is die wetenschap een troost.

Schoonheid in de wetenschap, Museum Boijmans Van Beuningen, t/m 5 juni. Symposium 11 maart 10-16u. Meer info op: boijmans.nl