Klei vertelt meer over het leven dan je denkt

Een archeoloog houdt zich bezig met dingen, een antropoloog met mensen.

Beiden raken steeds meer verknoopt, zegt Ian Hodder, die een eredoctoraat ontving.

Bij eredoctoraten gaat het vaak om meer dan wetenschappelijke kwaliteiten. Dat weet ook de Engelse archeoloog Ian Hodder, die vorige week een eredoctoraat van de Universiteit Leiden ontving. „Op Stanford, waar ik doceer, gaan eredoctoraten heel politiek en strategisch naar presidenten en ex-presidenten.”

Ook achter Hodders eredoctoraat zit een bedoeling, vertelt een bestuurder van de Leidse faculteit archeologie: hij en een collega van antropologie willen hun disciplines graag samenvoegen. Daarbij komt een uithangbord als Hodder, die geldt als een van de meest vooraanstaande archeologen en die bij zijn opgraving van Çatalhöyük in Turkije gebruik maakt van antropologische inzichten en theorieën, goed van pas.

„Daar heb ik geen problemen mee”, reageert de 62-jarige Hodder. „Ik zie het ook als een mooie manier om archeologie op de voorgrond te zetten.” Hij waarschuwt wel tegen de samenvoeging van archeologie en antropologie. „Ik begrijp het wel: een archeoloog houdt zich met dingen bezig, een antropoloog met mensen; dingen kunnen niet zonder mensen en mensen kunnen niet zonder dingen. In Amerika zijn archeologie en antropologie al vaak samengevoegd en daar zie je dat archeologie ondergesneeuwd raakt en alles onder een antropologische paraplu gebeurt. Dan gaat het niet meer over ‘dingen’ of ‘materiële cultuur’, maar ‘materialiteit’. Het is goed als archeologen en antropologen samenwerken, maar antropologen moeten begrijpen dat archeologie een vak apart is dat voor breder inzicht kan zorgen.”

Neem dingen, zegt hij. „In de antropologie en de sociale wetenschappen heerst het idee dat die stabiel zijn. Zo zei filosofe Hannah Arendt dat dingen de functie hebben het menselijk leven te stabiliseren. Maar dat geldt slechts voor korte tijd. Archeologen bestuderen dingen over lange tijd. Zij zien dat ze vervallen, stuk gaan, veranderen, opraken en uit elkaar vallen, dat ze juist niet stabiel zijn. Dingen vragen daarom steeds weer om menselijk handelen waardoor mens en ding steeds meer met elkaar verknoopt raken.”

Çatalhöyük geeft daar volgens Hodder mooie voorbeelden van. De vindplaats in Centraal-Anatolië geldt met zijn ouderdom van negenduizend jaar als een van de oudste steden. In haar hoogtijdagen telde de stad mogelijk achtduizend inwoners. Hun huizen waren aan elkaar gebouwd en hadden geen ramen en deuren, maar gaten in de daken. Ze waren gemaakt van ongebakken, zongedroogde klei.

„De huizen die we hebben opgegraven lijken permanent, maar we zijn constant bezig ze met chemicaliën te conserveren. Analyse van de klei heeft duidelijk gemaakt dat het om een soort gaat die door water snel uitzet en door droogte snel krimpt. Wij vinden dan ook de sporen van de constante strijd die de bewoners hebben gevoerd om de huizen overeind te houden, door balken aan te brengen en dubbele en dikkere muren te bouwen.”

Later gingen de bewoners verder weg zanderige klei winnen, om er zongebakken stenen van te maken. Diezelfde klei zorgde mogelijk ook voor een veranderend kookpatroon, denkt Hodder. „In de vroegste fasen vinden we kleiballen. Ze werden gebruikt om voedsel te koken door ze eerst in vuur te verhitten en daarna met voedsel in een pot van grove klei te doen. Rond 6.150 voor Christus, dezelfde tijd waarin mensen zandstenen voor de huizen gaan gebruiken, verdwijnen de kleiballen en verschijnen er dunwandige potten van verfijnde klei. Die konden op vuur gezet worden en – anders dan de kleiballen, die steeds opnieuw verhit moesten worden – konden ze alleen gelaten worden. Dat leverde degene die kookte de mogelijkheid om in die tijd ook andere dingen te doen.”

Hodder is een van de grondleggers van de postprocessuele archeologie. Dat betekent dat er van de geschiedenis van een plek wat hem betreft meerdere versies kunnen zijn en dat iedereen aan het interpretatieve proces mag meedoen. Sinds 1993 mag hij voor een periode van 25 jaar, flink gesponsord en bijgestaan door een internationaal team van zo’n 170 wetenschappers, zijn ideeën toepassen bij Çatalhöyük. Bij meer positivistisch ingestelde archeologen roept zijn werk soms grote weerstand op. Vandaar de anekdote van een Engelse antropoloog tijdens een symposium voorafgaand aan de uitreiking van Hodders eredoctoraat. Een Duitse archeoloog had bij het horen van Hodders naam gevraagd of de antropoloog de operatie van zijn nieren ook aan de werkster van de chirurg zou toevertrouwen. Er is ook de kritiek dat 17 jaar heel nauwgezet opgraven weinig heeft opgeleverd.

Zelf ziet Hodder genoeg resultaten: „Anders dan vroeger is gedacht was Çatalhöyük niet de plek waar de Moedergodin werd vereerd: het aantal vrouwenbeeldjes vormt intussen een minderheid. Vroeger dachten we dat de landbouwgronden tien kilometer ver weg lagen, maar nu blijkt dat er ook in de directe, moerassige omgeving akkers waren. De bewoners van de stad waren gezonder dan gedacht, zo blijkt uit onderzoek van de skeletten die in de huizen waren begraven. Door alles goed schoon te houden, hielden ze onbewust ongedierte weg.”

Toch zijn er nog genoeg onbeantwoorde vragen, zoals hoe de bewoners in hun huizen zonder rookoverlast vuur brandend hielden – „maar misschien was rook voor hen geen probleem” – en hoe de stad ooit is begonnen. Verder wil Hodder de laatste zeven jaar van zijn project Turkije helpen van de plek een werelderfgoed-site te maken. „Antropologen kunnen hierbij helpen door onderzoek te doen naar sociale en economische effecten van de werelderfgoedstatus.”

O ja, vertelt hij later: die Duitser is intussen bij de opgraving geweest en heeft gezegd dat Hodder er goede wetenschap bedrijft.