Hoe werkt het donorsysteem?

In 1998 trad de Wet op de Orgaandonatie (WOD) in werking. Sindsdien kan iedereen vanaf 12 jaar, via een centraal register, aangeven of hij donor wil zijn of niet. Er zijn vier opties: je wordt donor, je wordt geen donor, na je dood mogen je nabestaanden kiezen of een door jou aangewezen persoon mag beslissen. Als je kiest donor te worden, kan je nog aanvinken welke organen of weefsel je niet beschikbaar wil stellen.

Geef je niets op, dan sta je niet geregistreerd in het donorregister en beslissen je nabestaanden – die in 70 procent van de gevallen nee blijken te zeggen. Ze zeggen nee, omdat ze er zelf nooit over gedacht hebben of omdat ze het onderwerp nooit met de dode hebben besproken. Ook de manier waarop artsen na het sterven de vraag voorleggen aan de familie speelt een rol. In het ene ziekenhuis worden daardoor meer organen ‘gewonnen’ dan in andere.

Als de overledene geregistreerd was als donor, kunnen nabestaanden geen officiële bezwaren meer maken. Alleen als de betrokken arts zware psychische gevolgen verwacht voor de nabestaanden, kan hij de orgaanschenking afblazen. Volgens artsen komt zo’n besluit in de praktijk niet vaak voor. Het kan voor de nabestaanden ook prettig zijn dat zij niet meer hoeven te beslissen. Maar als het tot een conflict komt, zal het ziekenhuis geneigd zijn toe te geven. Ruzie over orgaandonatie is namelijk slecht voor de reputatie.