Gelegenheidsadviseur

De aanstelling van een volkenrechtelijk adviseur op het ministerie van Buitenlandse Zaken was een van de meest concrete aanbevelingen die de commissie-Davids op 12 januari 2010 deed. Deze commissie, ingesteld door het kabinet na aandringen van de Tweede Kamer, kwam tot dit advies nadat zij de wijze waarop Nederland had besloten om politieke steun te geven aan de inval in Irak (2002-2003) diepgaand had onderzocht.

Ruim een jaar later blijkt dat er van de uitvoering van dit advies, ondanks toezeggingen van het kabinet-Balkenende IV, weinig terechtkomt. De conclusie kan moeilijk anders zijn dan dat minister Uri Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) de beloften die zijn voorganger, de CDA’er Maxime Verhagen, heeft gedaan, wel heel losjes interpreteert. Met kennelijke instemming van die voorganger, die vicepremier is in het kabinet-Rutte en leider van het CDA-smaldeel daarin.

De commissie-Davids deed concreet de aanbeveling om „de positie van een volkenrechtelijk adviseur binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken te herstellen”. In zijn schriftelijke reactie beloofde het kabinet-Balkenende dat de minister van Buitenlandse Zaken inderdaad een aparte positie van volkenrechtelijk adviseur op zijn ministerie zou instellen. Mondeling zei minister Verhagen in het debat met de Tweede Kamer: „Daarmee volg ik dus letterlijk het advies op dat de commissie-Davids geeft in haar rapport.” En hij voegde eraan toe: „Het is duidelijk dat deze adviseur onafhankelijk moet zijn [..] en hij moet rechtstreeks [..] kunnen adviseren aan de minister. Daarop zal ik de organisatiestructuur van mijn ministerie aanpassen.”

Bijvoorbeeld de toenmalige fractieleider van het CDA, Pieter van Geel, vond dat „een verstandige oplossing”.

Nu blijkt dat Rosenthal meent te kunnen volstaan met een adviseur voor tien dagen per jaar. En dat terwijl een van de pijnlijkste conclusies van ‘Davids’ was dat een adequaat volkenrechtelijk mandaat voor de Nederlandse deelname aan de oorlog in Irak had ontbroken. Dat wilde zeggen: een duidelijke resolutie van de Verenigde Naties. Een hard oordeel, waaraan het kabinet-Balkenende zich, zij het schoorvoetend, conformeerde.

De vicevoorzitter van de commissie-Davids, Marjan Schwegman, beklaagde zich er vorige maand over dat haar rapport voornamelijk onderwerp van een politieke discussie was geworden en dat er aan de inhoud zelf zo weinig aandacht was besteed. De schijnbaar achteloze wijze waarop de minister nu met een van de aanbevelingen omgaat en met de reacties daarop van zijn voorganger, lijkt een bevestiging van deze klacht. Van de Tweede Kamer mag worden verwacht dat zij geen genoegen neemt met dit besluit van de minister en dat zij hem zal houden aan de toezeggingen die zijn voorganger herhaaldelijk heeft gedaan.