EU verkeek zich op de achtertuin

De EU wil al jaren meer invloed in Noord-Afrika. Maar ze richtte zich op de leiders, en wordt nu geheel verrast door de bevolking.

De Europese Unie werd door de onrust in de Arabische wereld dubbel verrast. Eerst bleek de roep om verandering onder de bevolking aan de andere kant van de Middellandse Zee groter dan Europese politici hadden ingeschat. En de afgelopen dagen werd EU-land Italië geconfronteerd met duizenden immigranten uit Tunesië.

De verbazing over de snelle ontwikkelingen in Noord-Afrika kan moeilijk zijn voortgekomen uit desinteresse. Al jaren probeert de EU haar invloed in het gebied te vergroten. In 1995 werd door de EU en 14 landen rond de Middellandse Zee het ‘Barcelona-proces’ in het leven geroepen om de politieke, economische en culturele banden te verstevigen. Het Barcelona-proces werd in 2008 vervangen door de Mediterrane Unie, opgericht door de Franse president Sarkozy, in nauwe samenwerking met mede-voorzitter Mubarak. De Mediterrane Unie omvat de 27 EU-landen, Turkije, Israël en de Arabische landen langs de Middellandse Zee. En dan is er nog het Europees ‘nabuurschapsbeleid’, waarmee de EU sinds 2004 de buurlanden sterker aan zich wil binden.

Maar al deze vormen van beleid zijn vooral gericht geweest op stabilisatie van de kwetsbare regio. Europa speelde niet in op mogelijke verandering, zegt Rosa Balfour, onderzoeker bij de denktank European Policy Centre in Brussel. „De prioriteiten zijn geweest : het tegenhouden van illegale immigratie uit Noord-Afrika en zuidelijker, economische ontwikkeling en energievoorziening. Bij al die prioriteiten zijn de zittende regimes de gesprekspartner.”

In het Barcelona-proces moesten ‘democratie’ en ‘mensenrechten’ deel uitmaken van de politieke dialoog tussen Europa en zijn zuidelijke buren. Maar de aandacht hiervoor is de afgelopen jaren alleen maar verslapt, zegt Balfour. De Mediterrane Unie is slechts gericht op enkele concrete projecten, zoals het schoonmaken van de zee. Deze Unie is bovendien nooit echt van de grond gekomen, onder meer omdat Egypte de afgelopen jaren niet wilde meedoen aan besprekingen waarbij de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Lieberman aanwezig was.

In het kader van het nabuurschapsbeleid krijgen buurlanden van de EU vrijere toegang tot de Europese markt als zij hervormingen doorvoeren. Maar de voorwaarden die de EU stelde waren vooral economisch en niet politiek, meent Balfour. „Juist Tunesië is van alle landen samen met Israël het verst gekomen in de toegang tot de Europese markt, terwijl de repressie daar de afgelopen jaren alleen maar toenam”.

Zaken doet Europa met Noord-Afrikaanse landen vooral op immigratiegebied. Europa vraagt de zuidelijke buurstaten in ‘actieplannen’ om medewerking in het indammen van de immigratiestromen. EU-lidstaat Italië heeft bilaterale akkoorden met Libië en Tunesië, gericht op terugkeer van vluchtelingen. Ook hier zijn autoritaire regeringen de partners geweest. Ná de vlucht van de Tunesische president Ben Ali kwam een grote immigratiestroom op gang.

EU-buitenlandcoördinator Catherine Ashton bezocht deze week Tunesië en verklaarde dat Europa „volledig achter het streven van het Tunesische volk naar vrijheid en democratie” staat. Maar Volgens Balfour is het tijd voor een „radicale herijking” van de Europese politiek in de achtertuin. „De EU moet bedenken: wat zijn onze principes? Willen we echt overal de democratie stimuleren? En hoe moeten we dat dan doen?” De mogelijkheden om mensenrechten en democratie in Arabische landen te verbeteren zijn beperkt, zegt ze. „Maar Europa heeft nu een diplomatieke dienst. Laten we die inzetten om maximale invloed uit te oefenen”. Balfour vindt ook dat de EU zich meer moet richten op de economische ontwikkeling van de zuidelijke buren en minder op het indammen van immigratie op de korte termijn. „De combinatie van een zeer jonge bevolking met hoge werkloosheid is explosief. Alleen democratie en economische voorspoed bieden perspectief.”